elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bonenstaak

bonenstaak , bónstaok , m , bonenstaak; mager persoon. Héj ziet ’r uut as ’nen bónstaok! hij is een mager persoon.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
bonenstaak , boonesjtėk , mannelijk , boonesjtėkke , boonesjtėkske , boonstaak. Hae leet zich boonesjtėkke op ziene kop sjirpe: hij laat zich alles welgevallen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
bonenstaak , bònnestéék , meervoud , schuingeplaatste vrijstaande stokken of 2 à 4 stokken die naar elkaar toe gebogen staan, waartegen rankbonen omhooggroeien.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
bonenstaak , boënestaak , boënepoal, iemes deen lânk en mager is.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
bonenstaak , bonestake , zelfstandig naamwoord , bos griendhout met een lengte van 125 cm; er gingen 104 stokken in een bos (LPW: IJss). Zie artikel De griendcultuur rond IJsselstein in hoofstuk 5.
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
bonenstaak , bonestaak , de , 1. stok voor klimbonen Hij wol zuk veur een kwartje wel een bonestaok op de kop aanspitsen laoten was erg op de centen (Erf) 2. lang, dun persoon Iene die mager is, is een bonestaak (Scho)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bonenstaak , [stok waarlangs bonen groeien] , bònnestaak , bonenstaak, stok waarlangs bonen groeien.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
bonenstaak , bónstaoke , bonenstaken , Ge rôkt ooveral ôn gewènd, behalleve ôn bónstaoke óp uwwe kop ônpunte. Je raakt overal aan gewend, behalve aan boonstaken op je hoofd aanpunten. Veel dulden maar aan alles is een grens.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
bonenstaak , bonestaeke , bonestaek , zelfstandig naamwoord , de 1. bonenstok 2. magere persoon 3. (mv.) lange benen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bonenstaak , bônnestaak , bônstaak , stok
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
bonenstaak , bònstaâk , lang mager persoon, bonenstaak
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
bonenstaak , bonenstael , bonenstaak.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
bonenstaak , bonestaak , bonenstaak , magere man.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
bonenstaak , boeanestaak , (mannelijk) , bonenstaak , Zoea mager zeen es eine boeanestaak.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
bonenstaak , boeënestaak , zelfstandig naamwoord, mannelijk , boeënestaek , boeënestaekske , bonenstaak; meisje, lang en mager
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
bonenstaak , boeënestaak , bonenstaak
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal