elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: brom

brom , brōm in hebben , zie: doenighaid.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
brom , brom , zie snōr *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
brom , brom , mannelijk , nen brom in et oor
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
brom , bromme , vrouwelijk , De bromme kriigen
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
brom , brom , zelfstandig naamwoord de , in de zegswijze de brom in hewwe. 1. mopperig zijn, de smoor in hebben. 2. dronken zijn.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
brom , bróm , iemes d’n bróm ópdraeje: as klein kîend woorte ovver ut kni-j gelâgd en da woorter mitte voes, net ónder ut stártknökske, ovver de koont gedraejd.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
brom , bromme , berisping.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
brom , bromme , standje, berisping.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
brom , brom , een brom in hebben, dronken zijn (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal