elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ozing

ozing , neuselen , neuzelen, euselen , dat gedeelte van ’t dak, hetwelk buiten den muur vooruitsteekt. Men zegt: het dooit, de neuselen druppen. Van hier neuseldrop of neuzelendrop.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
ozing , ozing , hozing , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Daarnaast hozing en eertijds ook ozem. De benedenrand van het dak. Bij de vroegere rieten daken drupte het regenwater van de ozing neer; bij de pannendaken is de ozing echter door pannen bedekt. || Item, dat alle de Huysen die sedert de laeste harde windt de spanten af geweest zijn, ende van nieuws opgespant zijn, gehouden sullen wesen over het Riet dat zy gemaeckt hebben op de selve spante over al heenen met pannen te leggen, ende de Oosem met houdt onder tegen de pannen aen te maecken (keur v. Wormer, a° 1647), LAMS 646. – Vgl. W.-Fri. (15de e.) oysen (Wfri. Stadsr. 2, 20), Stad-Fri. euzen, uizen, Wangeroogsch ozing HALBERTSMA 841) in dezelfde zin. Andere vormen van het woord zijn Oost-Fri. ôse, Mnd. ovese, Eng. eaves, Ags. efese, yfese, Ohd. obasa, obisa, Ono. ups, Got. ubizwa. – Vgl. ozingplank, ozendrop en ozie.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
ozing , ozie , (zelfstandig naamwoord) , Alleen in de uitdr. een osie omdoen, een kleine wandeling doen (Krommenie), medegedeeld in Navorscher 6, 232 (a° 1856). De uitdrukking schijnt thans onbekend te zijn; het blijkt dus niet of osie werd uitgesproken met s of z. Misschien is het woord een verkl. van oos, dakrand (zie ozing), en was een osie omdoen dus eigenlijk een gang om het huis doen, en, bij uitbreiding, een kleine wandeling.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
ozing , hossie , hos , zelfstandig naamwoord ’t , Uit- of aanbouwtje bij de achterdeur, portaaltje tussen twee kamers. Mogelijk is het woord verwant met ozie of (h)ozing = onderste deel van een strooien of pannendak dat over de muur hangt en waaronder geen goot is. Zie het N.E.W. onder ozie. Vgl. klompehossie.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
ozing , euze , onderste laag dakbedekking wanneer een dak geheel met stro of riet wordt bedekt.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
ozing , euze , oonderste rând vánt daak.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
ozing , euzie , oaverstaekende daakrând.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
ozing , eusing , eus, euze, heuze , (Zuidoost-Drents zandgebied). Ook eus (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), euze (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe), heuze (Zuidwest-Drenthe, noord) = onderkant, oversteek van rieten dak De bloemen van de vlèer wordt wel onder de heuze edreugd (Dwi), Wij moet neug bij de eus, die is wat roppig (Eex), Wij staot te schoelen under de euzing van ’t daok (Emm), De dekker begunt met de heuze (Vle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ozing , euzen , mv. het onderste van het dak, waar het water afvloeit.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
ozing , uis , huis , zelfstandig naamwoord , de; eerste laag van een rieten dak
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
ozing , euze , zelfstandig naamwoord , de; onderkant van het rieten dak
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
ozing , euze , de euze , dakrand
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
ozing , heuze , lage kant van het dak (Oldebroek, Wezep).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
ozing , euzel , zelfstandig naamwoord , "WBD overstekend deel van een dak, ozie van het dak; ook 'dröp' genoemd; N. Daamen - handschrift 1916 - ""onder den euzel - onder den drup van de goot""; Haor. EUZE - dakschuinten; A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - euzie, eus, deus, euzel, deuze, neuze, neuzeldrop, oos, deuzienge, dozieg, dozie; A.P. de Bont: zelfstandig naamwoord  mv. euzen, oziën, ""het gedeelte v.e. dak dat over den muur uitsteekt, en regenwater afwerpt"". WNT: Oozie, daarnaast euzie, en ook nog wel, ofschoon minder gebruikelijk, OOZE en EUZE, zelfs DEUZIE en NEUZIE, zelfstandig naamwoordw, vr. Got. ibizwa, overdekte plaats, overdekte galerij. Cornelis Verhoeven:  EUZIE m, ook wel: euzendröp; ozie - het over de muur uitstekende gedeelte v.e. dak, waarvan de regen afdruipt (v. Dale). Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  EUZEL en NEUZEL zelfstandig naamwoord m. - het onderste van een strooien of pannendak, dat over den muur steekt en het regenwater afwerpt."
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal