elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: fint

fint , fint , vint , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Zekere vis. Een soort van voorn, doch blanker dan de gewone en grover van schubben. || Der bennen nog al wat finten bij.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
fint , fint , vrouwelijk , finte , fintje , foef. Finte veil höbbe: trucjes en listige uitvluchten gebruiken.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
fint , feente , keunste, nukke; deen haed feente: da’s ennen ásteller.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
fint , fint , zelfstandig naamwoord , finte , fintjie , [O] streek Die maaid het altijd van die finte Die meid heeft altijd zulke streken (kuren)
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
fint , fînte , (meervoud) streken, gekke , verzinsels
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal