elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gauwachtig

gauwachtig , gaûwèchtig , binnenkort, snel, vrij snel. Ik zuuk oe gaûwèchtig ’s op! Ik bezoek je binnenkort.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
gauwachtig , gòwechtig , binnekort.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
gauwachtig , gauwachtig , bijwoord , 1. weldra, nogal snel 2. snel en niet zo nauwkeurig
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
gauwachtig , gáúwèèchtig , binnenkort
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal