elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: heiligendag

heiligendag , hillegedag , hilgedag , Christelijke feestdag, ook der Hervormden, enz.; ’t is mörn hilligedag, bv. Paaschdag; de Roomsen hebben guster hillegedag had. In Noordbrabant noemen de Roomschen aldaar hunne kerkelijke feestdagen: heiligdag. Oostfriesch hilgedag = kerkelijke feestdag. Kil. hillig, heyligh. (Overigens luiden: heilig, en: heilige, hailîg, en: hailêge.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
heiligendag , heiligendaag , fïëstdaag ván ennen heilige. “Woa keumt deen heiligendaag ván dan”; “Hoe kán dat gebeure”.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
heiligendag , heiligendaag , “ge mótter gennen heiligendaag vá make”, zág me soms as ut paerd stil stóng um te schîete. Op ennen heiligendaag woorter ni gewaerkt!
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
heiligendag , hèlligendag , feestdag van een heilige, of kerkelijke zondag.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
heiligendag , hêlligendäog , zelfstandig naamwoord mannelijk , hêlligendaog , - , heiligendag , VB: Vreuger wäor Slevroûwendäog (15 aug) 'nnen hêlligendäog.)
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
heiligendag , hèlligendag , kerkelijke feestdag
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
heiligendag , hèlligendag , heiligendag , Seere Heemelvaârt is ne gebójje hèlligendag. Hemelvaart is een verplicht te vieren heiligendag.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
heiligendag , heiligendaag , (mannelijk) , doordeweekse dag die als zondag geldt , Woea kumtj daen heiligendaag vanaaf?: waar heb ik dit goeds aan te danken?
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
heiligendag , heiligendaâg , heiligendaag , feestdag van een heilige; der eine(n) heiligendaag van make – 1. een dag niet werken 2. iets met de uiterste nauwkeurigheid verrichten; woeë kum(p)tj dae(n) heiligendaag vanaâf? – Ik ben helemaal niet van je gewend dat jij dat doet, dat is heel uitzonderlijk
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
heiligendag , hèllegendag , zelfstandig naamwoord , heiligendag; Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): hèlligendag; Uitdrukking: de hèllegendaoge afzègge - gezegd van iemand wiens komst als overbodig beschouwd wordt wegens de nutteloosheid ervan; Henk van Rijen: meervoud hèllegedaoge; WBD III.5.3:207 - hèllegendag = heiligendag; WBD III.5.3:212 afgezette heiligendag (zonder mis-verplichting); GD 06 - vur den volgenden hèllegendag; De Bont - zelfstandig naamwoord mannelijk: 'heiligendag' - heiligedag; Antw. -  AFGEZET - Afgezette heiligdag - heiligdag waarop men niet meer als vroeger verplicht is mis te hooren (enz.)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal