elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: janken

janken , sjanken , sjenken, tjanken, tjenken , janken, op een ontrevredenen toon praten, temen, saniken. gesjank, getjank, sjankert, tjenkert. etc.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
janken , janken , schreijen
Bron: Boers, B. (1843), [Overflakkees] ‘Lijst van eenige verouderde, of in de provincie Zuidholland niet gebezigde Nederduitsche woorden, welke op het eiland Goedereede en Overflakkee nog heeden in gebruik zijn’, in: Beschrijving van het eiland Goedereede en Overflakkee, Sommelsdijk, pp. 48-57
janken , janken , gedurig of luid grijzen. Is eene onfatsoenlijke uitdrukking.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
janken , janken , hunkeren. (Nederl. janken = lastig aanhouden om iets.)
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
janken , tjanken , haken, hunkeren. Vgl. jank.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
janken , tjanken , haken, hunkeren, verlangen; vergel. jank *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
janken , janken , janke , schreeuwen janken of dè de kop d’r af mot, as ’n speënvêrreke. schreeuwen of de kop eraf moet. (als een speenvarken); janke huilen Gaoten in de grond janke Gaten in de grond huilen, overdreven gehuil.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
janken , joenke , erg hard janken (van een hond).
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
janken , janke , jankde, haet gejank , janken, huilen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
janken , joênke , joekere.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
janken , sjanken , huilen.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
janken , sjanken , sjanken, esjankt , huilen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
janken , janken , jaanken , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook jaanken (Zuidwest-Drenthe) = 1. janken De hond hef de gaanse nacht ejaankt (Noo), Hij jankt as een kadde dei mit ’t steert tegen de ledder omhoog trokken wordt (Vtm) 2. huilen Schei toch ies oet te janken, ...te toeten (Oos)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
janken , janken , huilen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
janken , sjanken , tjanken , janken. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: tjanken
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
janken , tjanken , (Gunninks woordenlijst van 1908) zie sjanken
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
janken , sjankn , dwingerig huilen. Gaot er toch niet sjankn deerne, dat gelip begint te verveeln.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
janken , janke , huilen , Ze is wél 'n zónde wérd, al sti de pestóór d'r néffe te janke. Ze is wel een zonde waard, al staat de pastoor er langs te huilen. Te mooi om te laten lopen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
janken , jaanke , joonke , werkwoord , jaankde, gejaank, jaankenterre/joonkde, gejoonk. Joonkenterre , janken , VB: D'n hoond hèt de gaanse naach gejaank.; joonke VB: Sjej oét mêt joonke, de krys toch d'nne zeen neet.; huilen jaanke
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
janken , janke , huilen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
janken , jâânke , janken, huilen.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
janken , sjanken , (werkwoord) , huilen. Zie ook: liepen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
janken , jaanke , huilen , hij jaankt om niks = hij huilt om niets-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
janken , janke , huilen , Janke um ’n scheet. Huilen om niets.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
janken , jaanke , janken, huilen
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
janken , sjanken , huilen; sjankerd, huilebalk (O.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
janken , janke , janktj, jankdje, gejanktj , janken, huilen , Sjei oet mèt janke.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
janken , [huilen van honden] , jónkere , jónkertj, jónkerdje, gejónkerdj , janken van honden , D’n hóndj haet d’n hieële nacht gejónkerdj.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
janken , janke , werkwoord , janktj, jankdje, gejankdj , 1. janken 2. huilen zie ook bäöke, brulle, kermeniete, meke, zumpe
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
janken , jânke , werkwoord , jânktj, jânkdje, gejânktj , huilen
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
janken , jaanke , janke , werkwoord (zwak) , jaanke - jaankte - gejaankt , janken, huilen; – vocaalkrimping?; R.J. 'gin jaanken helpt'; Interview met de heer De Kok (1978) – Toen zèèk meej de klèène in de waoge daor wiste kèèke. Ik zeg teege de vrouw: ”Ik gôoj em mar gaaw in et kenaol want hij blèft janke!; Dirk Boutkan (1996) - (blz. 27) in 2e pers. en 3e pers. enk. presens wordt in het cluster nkt de k verzwegen - ja(a)ngt; Lodewijk van den Bredevoort – Op enen avend koom ik tèùs van de Sociale School, zit Lia bij ons. Ik kèèk der aon en metêen begient ze te janke. (Kosset… 2, 2007); Lodewijk van den Bredevoort – In de kerk zaag ik dè de brèùd zaat te janke, gong ze nie gèère trouwe? Daor leek et wel op. (Kosset… 2 - 2007); Stadsnieuws -  Den oober goojde en tas kòffie oover men nuuw klêed: ik kos wèl jaanke! (240509) ; Bont – jangke(n) zw.ww.intr. 'janken' - l) krijten, schreien, huilen; 2) tranen storten, wenen; WBD kwaadaardig roepen (v.e. paard); WBD III.2.1:481 janken = janken (v.e. hond), ook: jammeren, joekeren, joekelen; WBD III.2.1:482 janken = huilen (v.e. hond); WBD III.2.1:505 janken = janken (v.e. kat) ook: krollen of huilen; WBD III.2.1:504 janken = krollen (v.e. kat) ook: krijsen; WBD III.1.4:254 'janken' = luid schreien; WBD III.4.4:246 'janken' = knarsen
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal