elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kerkgang

kerkgang , kaerkgânk , as de vrow noa en bevalling wer vur d’n iêrste kîer nár de kaerk ging. De vrowwe vánne noabere ginge da mej.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
kerkgang , kerkgang , de , 1. de gang naar de kerk De kerkgang is de leste joren aordig minder worden (Bco) 2. eerste kerkbezoek van een moeder na een geboorte (r.-k.) Aj joen kerkgang nog nich daon hadden meugden ie ok nich op visite (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kerkgang , kerkgang , ritueel bij het weer ter kerke gaan van een vrouw die bevallen was.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
kerkgang , karkgang , zelfstandig naamwoord , de; 1. het ter kerke gaan 2. de mensen die onderweg zijn naar de kerk om de dienst bij te wonen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kerkgang , kërkgaank , zelfstandig naamwoord mannelijk , - , - , kerkgang , (van de moeder) kërkgaank (vero.)
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
kerkgang , kerkgâânk , kerkgang. ongeveer 3 à 4 weken na de geboorte van een baby deed de moeder vroeger haar kerkgang. samen met de meter of de buurvrouw ging ze op een “wêêkse dag”, “dag in de week”, naar de kerk. de baby toegedekt met een eenvoudige of meer bewerkte witte doek droeg ze op de arm. de dienst­ doende priester haalde hen achterin de kerk af en begeleidde hen naar het maria­altaar. daar werd over de moeder en het kind een zegening uitgesproken. hierna konden ze de h. mis bijwonen en in het vervolg de zondagsplichten weer vervullen.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
kerkgang , [kerkgang ] , kirkgank , (mannelijk) , kerkgang , De kirkgank make: de eerste keer dat een moeder naar de kerk ging na de bevalling; zuiveringsritueel.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
kerkgang , kirkgank , zelfstandig naamwoord , kirkgeng , 1. kerkgang 2. een in 1983 afgeschaft ritueel in de r.-k. kerk waardoor vrouwen na de geboorte van een kind – voordat zij het kerkgebouw weer mochten betreden – moesten worden ‘gezuiverd’; dit voorschrift was gebaseerd op een joodse traditie, volgens welke de moeder zich veertig dagen na de bevalling moest laten reinigen in de tempel en daar haar kind tonen
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal