elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kleden

kleden , klijden , klijden en rijden, zie: rijden.
kledt = kleedt; kledden = kleedden. hij kledt, zij kledden zich.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kleden  , kleie , werkwoord , kleeden.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
kleden , kleen , werkwoord, zwak, wederkerig , zich netjes aankleden
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
kleden , kleie , kleide, haet of is gekleit , kleden.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
kleden , kliëje , átrekke; pâsse, stoan; dát klîejt ów ni: dát stiet ów ni.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
kleden , klien , klieden , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook klieden. Voor var. z. klied = 1. kleden Zie gaot zo met zie bint zuk nog an het klien (Sle), Olde meinsen moot heur netties kleden aans liekt het niks meer (Die), Hai klaidt zuk sjiek (Eco), Hij mut hum der ook nog van klien kleding kopen (Hol), zie ook antrekken 2. goed staan van kleding (Zuidwest-Drenthe, zuid) Die neie jurk stiet oe goed die kleedt oe best (Hav)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kleden , klieden , kleden , werkwoord , 1. zich kleden 2. goed of niet goed staan, om het lichaam vallen (van kleding)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kleden , klêêje , werkwoord , klêêd, klêêdde, geklêêd , kleden, aankleden Ik bin nog nie geklêêd Ik ben nog niet aangekleed Ze waere netjies geklêêd Ze waren net gekleed
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
kleden , klejje , werkwoord , klejde, geklejd , kleden , VB: Gelökkig 't verdeent, ich hôf 'm neet mie te klejje.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
kleden , klejen , (werkwoord) , klejen, ekleed , kleden.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
kleden , [kleren dragen] , kleeje , geklid , kleden , Ónze jónge is al geklid. Onze zoon heeft al een priestertoog aan.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
kleden , kleie , kleitj, kleidje, gekleidj , zich kleie, zich kleden , Zie haet zich altied sjiek gekleidj.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
kleden , kleije , werkwoord , klètj, klètjdje, geklèdj , kleden
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
kleden , kleî-je , werkwoord , kleden
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
kleden , klêeje , zwak werkwoord , kleden; B klêeje - kleedde - gekleed - geen vocaalkrimping; Bont kle.j?(n) zw.ww.tr. - kleden
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal