elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kletskop

kletskop , kletskop , m , a/ kaal hoofd, b/ klikspaan c/ soort koekje.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
kletskop , klėtsjkop , mannelijk , klėtsjköp , klėtsjköpke , kaalkop, zie ook: plaat.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
kletskop , kletskop , kale kop.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
kletskop , kletskop , de , kletskoppen , 1. kaal hoofd Ze zeggen dat zij een pruikien drag umdat zij een kletskop hef, maar ze zeggen zoveule (Mep) 2. wondkorstjes, besmettelijk hoofdzeer, favus Jaan hef last van kletskop, mor doou e der weterieblaoder op dee leek het beter te worden (Eex), Hij luip altied met de pet op de kop; hij haar een kletskop (Row) 3. soort koekje Kletskoppen bint ok koekies, mor die kenden wij vrogger niet (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kletskop , kletskòp , (Gunninks woordenlijst van 1908) 1. kaal hoofd; 2. soort gebak
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kletskop , klétskop , kaal hoofd , Teege iemes meej ne kaole kop zègge ze wél'les ójt dét'tie ne klétskop hi. Van iemand met 'n hoofd zonder haren zeggen ze wel eens dat hij een kaal hoofd heeft.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
kletskop , kletskop , zelfstandig naamwoord , de; 1. zeer hoofd 2. kaal hoofd 3. iemand met een kaal hoofd 4. hoofd met kletsnat of erg vet, plakkerig haar dat plat ligt 5. persoon met zo’n hoofd 6. koekje: kletskop 7. iemand die veel of raar kletst
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kletskop , kleskop , zelfstandig naamwoord , kleskoppe , kleskoppie , kletskop, hoofdzeer (favus) Toen ik school gong zatte d’r in mijn klas nog kindere meddun kleskop; de jonges wiere kaolgeschore en de maaides hadde een doek om d’r zeere hôôd Zie kaeshôôd Toen ik school ging zaten er in mijn klas nog kinderen met een kletskop; de jongens werden kaalgeschoren en de meidenhadden een doek om hun zere hoofd
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
kletskop , kletskop , zelfstandig naamwoord mannelijk , kletsköp , kletsköpke , kaalkop , kletskop VB: 'r Haw al joonk 'nne kletskop.; rijksdaalder (zilveren rijksdaalder); kletskop (vero.); vlaai (zonder belegsel); kletskop
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
kletskop , [kaal hoofd] , klètskop , kaal hoofd
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
kletskop , klätskop , kaal hoofd.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
kletskop , [hoofd met zweren] , kletskop , hoofd met klieruitslag, hoofd met zweren.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
kletskop , klètskòp , zelfstandig naamwoord , H. van Rijen (1988): schurftig hoofd; Cees Robben: wè heej jöllie zjuuleke tòch ene klètskòp!; WBD III.1.4:116 'kletswijf' = vrouw die graag kwaadspreekt; WNT KLETSKOP - benaming voor een door het hoofdzeer (favus) aangetast hoofd; benaming voor deze ziekte; z.a.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal