elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: klompnagel

klompnagel , klómpenaagel , mannelijk , klómpenaegel , klómpenaegelke , klompspijker (spijkertje met brede-platte kop om de klompleertjes aan de klompen te bevestigen). “Hae deit; of: reis in klómpenaegel” wordt gezegd van iemand, die niet veel om handen heeft.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
klompnagel , kloompenaegelke , klein naegelke mit enne groëte kop woa ut kloomperimke mej vâs woort gezatte.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
klompnagel , kloompenäogel , zelfstandig naamwoord mannelijk , kloompenëgel , kloompenëgelke , spijker , (bep. spijker) kloompenäogel VB: Mêt de kloompenäogel woerd de reem aon de kloomp vas gemak.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
klompnagel , klómpeniëgel , zelfstandig naamwoord , klómpeniëgels , klómpeniëgelke , klein spijkertje met brede platte kop en een korte scherpe punt, waarmee het leren riempje aan de klomp werd bevestigd
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal