elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kolf

kolf , kol , kolle , kolf van ’t geweer.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kolf , kolf , zelfstandig naamwoord de , Ook: houten steel van de zicht.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kolf , kôlf , maïskôlf; kôlf inne bóks: en liëg kruüs.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
kolf , kôlf , As iemes en wiet te wieje bóks á háj zâg me: “En vaat kôlf en en peent vot”.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
kolf , kolf , kolve , de , kolven , Ook kolve (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. kolf van een geweer Hie pakde het geweer bij de kolf vaast (Eex), Een jachtgeweer mit lösse kolf (Hgv), (fig.) Dat is net een kolfie naor zien hand was net iets voor hem (Eri) 2. maiskolf Der zit mar iene kolf an de stamme (Eli) 3. borstkolf Een kolf veur het ofkolven van moedermelk (Gas) 4. glazen kolf Een flesse mit een wiede boek is ok een kolve (Bro) 5. rietkolf (Midden-Drenthe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kolf , kòlf , kolf
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kolf , kolf , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , kolve , kölfke , kolf , VB: Ich heb mich de kolf van me gewër sjoen gepôlletoerd.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
kolf , kouf , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , bal bij kolven
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal