elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: krel

krel , krel , vurig. Krelle öögies: vurige oogjes; nen krellen: een vurig paard; ne krelle locht: een zeer heldere lucht
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
krel , krel , v , vinnig meisje (vrouw)
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
krel , krèl , v , pit D’r zit wel krèl in die krel. Er zit wel pit in die hittepetit!
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
krel , krel , krael , pit: doa zit pit i!
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
krel , krael , pit.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
krel , krel , de , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = toer, karwei, kwestie Dat is ’n hiele krel karwei, gezegd van een zaak waarvan je niet weet hoe je ermee aan moet (Sle), Dat is maor ’n klein krellegien het stelt weinig voor (Vri), Het was mij daor ’n krel, ik bin mor vortgaon ruzie (Eex)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal