elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kribbig

kribbig , kribbe , vlijtig, ijverig (bij het werk).
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
kribbig , krebbig , bitter, sterk De koffie smakt krebbig De koffie smaakt bitter. [Ove]
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
kribbig , krebbig , schaerp, zoor.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
kribbig , kribbig , kribberig , bijvoeglijk naamwoord , Ook kribberig = 1. kribbig Dei is zo kribberig, ie duurt hum gien scheif woord te zeggen (Bco), Wat bi’j ja kribbig vandaog, is het niet gooud? (Eex), zie ook krieberig 2. pienter, levendig (Zuidoost-Drents zandgebied) Wat is dat ’n kribbig wiefie (Scho)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal