elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: loopboks

loopboks , loëpbóks , de loëpbóks á hebbe: zin hebbe um d’r oêt te goan.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
loopboks , loopboks , loopbroek , de , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe). Ook var. met loopbroek, verbr. als bij die lemmata = de niet netste broek, maar de broek, die je aandoet als je er even uitloopt of de zondagse broek niet passend is
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal