elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: mus

mus , musch , *Een musch in zyn eigen berg jagen, eene Veluwsche spreekwijs. Ze zegt: iets doen tot zyn eigen nadeel. Een boer die de musschen in zyn eigen berg joeg, dat ze daar zyn koorn opvraten zou zeker zyn eigen belang weinig behartigen.
Bron: Berg, A. van den en H.J. Folmer (1774-1776), ‘Veluws en Drents uit de 18e eeuw’, uitgegeven door K. Heeroma in: Driemaandelijkse bladen 12 (1960), 65-83, 97-116.
mus , mus , Musch.
Bron: J.A.V.H. (18e eeuw), Haagsch Nederduitsch woorden-boekje. Den Haag: Johannes Mensert. Uitgegeven in: Kloeke, G.G. (1938), ‘Haagsche Volkstaal uit de Achttiende eeuw’, in: Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde 57, 15-56.
mus , müsche , (mannelijk, vrouwelijk) , musch.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
mus , musk , musch. Spreekwoord: As t’r ganzen genōg binnen mout men gijn musken plukken = is er van het beste (of lekkere) genoeg dan laat men het mindere staan. Zie ook: leven.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
mus , mus , mosk , (soms ook musk) , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Daarnaast mos en mosk (uitspr. mòsk). In verkl. muskie, moskie. Zie de wdbb. || Wat zitten der ’en musken op ’et dak. Kijk ers wat ’en klein moskie. – Zegsw. een mooie mos, een curieuze, gekke vent. || Dat is me ook ’en mooie mos.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
mus , mors , mv. morse. Verg. v. Schothorst 175: mos of mors.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
mus , mussche , [møsxǝ] , vrouwelijk , mus
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
mus , muske , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , muskn , mus
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
mus , mos , voor mus; de mosse viele vn ’t dak door de hette
Bron: Spek, J. van der (1981), Zoetermeers woordenboek, Zoetermeer.
mus , mosk , mos , zelfstandig naamwoord de , Dialectische variant van mus. Vgl. Fries mosk. Zegswijze ’n malle mosk, een gekdoend, uitgelaten kind. – Je loike de mosk van Enkhu(i)zen wel, gezegd van iemand die erg brutaal of inhalig is (verouderd). – ’n Mosk het z’n vere nôdig, maar ’n swaan ok, de gewone man heeft zijn inkomen nodig, maar de hoger geplaatsten evenzeer om overeenkomstig hun stand en verplichtingen te kunnen leven. – De kloinste mosk ken ’n aai lègge, dat kan zelfs de geringste of domste presteren. Meervoud moske, in de zegswijze zô gauw as de moske van ’t dak valle, met Sint Juttemis, dat zal nooit gebeuren.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
mus , mösj , vrouwelijk , mösje , mösjke , mus (gewone huismus), Passer domesticus; troetelwoord voor “liefje”. Woo hëgge zeen, zeen ouch mosje: waar hagen zijn, zijn ook mussen. Dit gezegde werd gebruikt, wanneer een jongeman verkering wilde hebben met een meisje uit een andere plaats. Men
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
mus , musse , vogels; deen haed de musse oêtgehaald: deen haed iets stóms gedoan.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
mus , musse , mus.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
mus , musse , muskes , mussie , mus.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
mus , musch , musk, muske, mus, musse , de , muschen , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe). Ook musk (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), muske (Zuidwest-Drenthe, veengebieden Oost-Drenthe), mus (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid), musse (Zuidoost-Drents veengebied, in en rond Hgv) = mus, Passer domesticus Die musk pikt aal stukkies stoet vort, die vink kreg niks zo (Eex), Iene bliede maeken mit een dooie muske (Smi), Man loop hen musken fluiten met je prooties loop naar de pomp (Zwe), Hie hef iene hen muschen fluiten is niet erg snugger (Sle), Gao op dak zitten te musken fluiten ga toch heen (Rol), Hij löp wat te muschen fluiten doet niets (Zwin), Waor gaoj hen? Antw. Hen muschen fluiten (Koe) *Za’k je leren muschen fluiten spel, waarbij een kind, dat dit wilde leren, onder een korf moest gaan zitten en dan fluiten. Terwijl hij floot, werd er water over hem heen gegooid (Sle) of er werd ook wel over hem heen geplast (Pdh). Een variant is dat het kind een oude jas over zijn hoofd kreeg en door de mouw moest fluiten, terwijl anderen dan water door de mouw gooiden (Oos). In Hijken hoefde het kind alleen maar door de omhooggehouden mouw te kijken om vervolgens water over zich heen te krijgen. Een spel was ook Mussen fluit niet. Dan kneep iene oe en dan mussen ie schrouwen (Zdw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
mus , muske , musker, musse , muskes , mussien , (Kampen) mus. Ook: musker (Kampereiland, Kamperveen), musse
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
mus , musse , mus.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
mus , musse , mussen , Ut stik'ter van de musse, ge wordt smééreges wakker van't gesjierp ónder de panne. Het barst er van de mussen, je wordt 's morgens wakker van 't getjilp onder de pannen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
mus , muske , zelfstandig naamwoord , de; mus
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
mus , mos , zelfstandig naamwoord , mosse , mossie , mus Vroeger zag de lucht nog zwart van de mosse; ’t was een plaeg In 1920 kojje nog geld verdiene met mosse vange: twêê cente voor twêê mossepôôtjies
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
mus , mösj , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , mösje , mösjke , mus , VB: De zuus allewyl mênder mösje es vreuger, wie dat kömp dat wèit ich neet. Zw: Twiemösje hebbe zich ëve leef es twie goüdveenke: ook minder knappe mensen kunnen veel van elkaar houden. Zw: Mer zoe vëul ëte es 'n mösj: heel weinig. Zw: mösje oonder z'nnen hood hebbe: zijn hoed niet afnemen (als groet) Zw: Bly zién mêt 'n doej mösj.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
mus , musse , (zelfstandig naamwoord) , mus.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
mus , mors , mosse, mos , mus; morsebekkien, mussenbek vol muizehapje, klein beetje eten.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
mus , mös , (vrouwelijk) , mösse , möske , mus , Woea hègke zeen, kóns se mösse vange. Zie meintj det häör mös eine kanarie is: ieder meent zijn uil een valk te zijn, ieder houdt het zijne voor het beste.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
mus , mös , zelfstandig naamwoord , mösse , möske , 1. huismus (Passer domesticus) ; mèt kaaf vings se nog gein aoj mös – met slecht aas is het moeilijk dieren vangen ook koeërejoed 2. de mös – vriendin, verloofde ook de meid, het maetje
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
mus , mös , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , mösse , möske , huismus
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
mus , mos , jij ben ok ’n vriendelijke mos! je bent ook niet vriendelijk, zeg! (mos is mus); mossies op d’n wurf, musjes op het erf
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.
mus , mus , musse , zelfstandig naamwoord , mus, mussen; gez. Pierre van Beek –  Waor en mus durheene vliegt, blèèft en mug hange - een grote piet kan zich in de maatschappij allerlei zaken veroorloven waarvoor de kleine man in de kraag gegrepen wordt. (Tilburgse Taaklplastiek 128); Audioregistratie 1978 - Asse die gemaajd hadde dan kosseme musseklèmme zètten èn musse vange…èn dan ging, hamme sondagsmiddags hamme fist. Dan ginge we die musse slachte! We hòlde ze èùt èn we din ze in et zout èn sondags, Gust ven den Broek èn onze Jaon èn Kees de Wolf, han we zon pan meej musse èn, èn de smòkte goed! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels); Dialectenquête 1876 - muske - kleine musch of mosch; Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  waor en mus durheene vliegt , blèèft en mug hange (Pierre van Beek –  Tilburgse Taalplastiek 1971) – prominenten kunnen zich in de maatschappij veel veroorloven waarvoor de kleine man in de kraag wordt gegrepen.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
mus , mos , mus
Bron: Oudenaarden, Jan (2015), Wat zeggie? Azzie val dan leggie! Aspecten van het dialect van Rotterdam, Rotterdam.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal