elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: piezel

piezel , piezel , zie: pieperke.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
piezel , piezel , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Meestal in verkl. piezeltje. Klein stukje. – Vgl. piesje. || Een piezeltje brood. Eet dat laatste piezeltje ook nog op. – Evenzo in Friesl. piezeltsje. In Gron. is een piezel een mager kind (DE JAGER, Taalk. Magaz. 4, 681). – Zie piezelig.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
piezel , piezel , mitte piezel ovver de kiezel: zwemme in óndeep water.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
piezel , piezeltien , zelfstandig naamwoord , et 1. klein beetje 2. zie piesien
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal