elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: plakker

plakker , plakker , zeker werktuig bij de vlasbewerking. Te Warfum te verkoopen (1864): “12 vlas- en 15 slijpbraken, 3 plakkers, een rijpel kleed”, enz.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
plakker , plakkert , in: ’t op ’n plakkert hebben = iets beoogen waarmee men niet ronduit voor den dag durft komen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
plakker , plekker , plekkert , m , Iemand, die blijft en blijft (in kroeg en op ’n feest.)
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
plakker , plekker , iemes deen ni good weg ká goan.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
plakker , plakker , plakkerd , de , plakkers , iemand die niet weggaat en maar blijft hangen Die plakkerd wet nooit van weggaon (Pdh)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
plakker , plakkerd , plakker , zelfstandig naamwoord , de; iemand die lang ergens blijft, die lang blijft plakken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
plakker , plekker , zelfstandig naamwoord mannelijk , plekkers , - , stukadoor , VB: De plekker wäor wie gebrukelik neet koëme en God wêt wienie dat 'r waol kömp.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
plakker , plakkerke , etiketje of papiertje, dat ergens opgeplakt wordt.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
plakker , [iemand die plakt] , plèkker , plakker
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
plakker , [iemand die maar geen afscheid kan nemen] , plekker , plekkert , iemand die maar geen afscheid kan nemen, zie ook plekplaoster, plekbóks
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
plakker , plekker , zelfstandig naamwoord , plekkers , plekkerke , plakker, iemand die geen afscheid kan nemen van een gezelschap en meestal als laatste weggaat zie ook plekplaoster
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal