elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: pluit

pluit , pluut , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Bij vissers. Een benaming voor: vis die geen handelswaarde heeft en daarom door de visser wordt weggeworpen, zoals spiering, voorn en ruis, nesteliing, enz. || Doen die pluut maar weg.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
pluit , pluut , (zelfstandig naamwoord) , Minachtende benaming voor een roeischuit van plomp model. || Stap maar in de pluut. Ik bedank om mit die pluut te gaan roeien, lêten we liever jollie schuitje nemen. – Vgl. de samenst. molenpluut.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
pluit , pluut , (zelfstandig naamwoord) , In de uitdr. pluut hebben, lol, pleizier hebben. || Ik heb pluut ’ehad. We hadden der toch zo’n pluut. – Ook: een pluut plezier, een bult plezier, grote pret. || We hebben ’en pluut plezier’ehad. – Vgl. hertepluut.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
pluit , pluutjen , zelfstandig naamwoord, onzijdig , peukje
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
pluit , pluut , zakmes, (knip)mes.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
pluit , pluut , zelfstandig naamwoord de , 1. Lampepit. 2. Mager, nietig persoontje. 3. Gemene, slinkse knaap. Zegswijze ’n minne pluut, 1. een zeer mager, nietig persoontje. 2. een gemeen individu.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
pluit , pluut , groët zakmaes.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
pluit , pluut , dolkmes
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal