elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ram

ram , ram , (mannelijk) , rammen, remme , mannetjes schaap, haas.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
ram , ram , mannetjeskonijn. - De moer (moejer) bij de ram zetten.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
ram , råm , mannelijk , remme , ram, mannelijk schaap of konijn
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
ram , ram , alles, helemaal. Ich bén noe ram dervan aaf: ik heb er helemaal niets meer mee te maken. Ramithuipaertithui-sikitmit, rao, rao waat is dat (koeterwaals)!
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
ram , ram , gâns.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
ram , ram , de , ramen , 1. ram Die ram möt vort, hie wordt te aold en der möt nei bloed in (Sle), Wanneer hef het knien onder de de ram ewest (Ruw), Hij is met de sik naor de ram (Row) 2. op een ramskop gelijkend deel aan de onderkant van de ketting als verbindingsstuk tussen boom en voorwagen (Zuidwest-Drenthe, noord, hy: Scho) Aj de ram kantelt, kun ie de vore brieder of smaller maeken (Dwi) 3. klap (Zuidwest-Drenthe, zuid) Ik gaf hum een ram veur de kop (Mep) 4. voorwerp, waar in de open haard turf tegenaan werd gezet (Zuidoost-Drents zandgebied) Een ram is, waor törf tegenan zet wuur (Pdh)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ram , ram , ram
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
ram , ram , zelfstandig naamwoord , de 1. mannelijk schaap of konijn 2. (met hoofdletter) het sterrenbeeld Ram 4. in rammen en ujjen blauwe gentiaan
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
ram , ram , bijwoord , helemaal , ram VB: Dat aad gebruúk gèit ram droét.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
ram , ram , rammelaar, rammelaor, rem, remmel , mannetje van een konijn; rammelig, tochtig zijn van hazen of konijnen.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
ram , [helemaal] , ram , alles, helemaal, totaal , Ram de kluts kwiet zeen: helemaal van zijn à propos zijn. Ram oppen hóndj zeen: helemaal versleten zijn.: helemaal versleten zijn.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
ram , ram , helemaal: die sjoon zeen ram verslete – die schoenen zijn helemaal versleten ook gans, hiël (3), hiëlemaôl, knatsj zie ook sjoeën
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
ram , ram , bijwoord , helemaal
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
ram , ram , zelfstandig naamwoord , WBD mannelijk schaap, ook ram, ram, 'raam' of 'bók' genoemd; WBD III.4.2:62 ram - mannelijke haas; WBD III.2.1:511 ram, rammelaar = rammelaar, mannelijk konijn
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
ram , ram , totaal
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal