elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: rauwigheid

rauwigheid , rówazje , rówwigheid (struük, drek).
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
rauwigheid , rauwighied , zelfstandig naamwoord , de; het enigszins rauw zijn in diverse bet.
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
rauwigheid , ién de roûwighèid , onzorgvuldig , ién de roûwighèid VB: Ich heb de käomer mer ién de roûwighèid get opgerûimp
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
rauwigheid , rèwwighèijd , veel onkruid, wildernis
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
rauwigheid , raaweghèd , zelfstandig naamwoord , Goedgetòld - ruwheid, ongemanierdheid, ruigte, wildgroei
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal