elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: recht

recht , richt , langs den naasten weg.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
recht , richt , handelbaar. , Ge kunt er geen richt mee schieten.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
recht , regt , men zegt: da’s regt! voor dat is waar, ’t is zoo!
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
recht , recht , (bijvoeglijk naamwoord) , recht.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
recht , recht , in: veur ’t recht loaten loopen (= in ’t plait gooien = plaiten) = den weg in rechten inslaan, door den rechter laten beslissen; veur ’t recht mouten = voor den rechter moeten verschijnen, voor de rechtbank zijn gedaagd, nl. om eenig misdrijf. Zie ook: docht.
van rechten, van rechtswege, volgens recht; ook: volgens recht (= rechtvaardigheid) en billijkheid; van rechten komt hōm d’r niks van tou = hij heeft er niet de minste aanspraak op; van rechten (of: as hōm recht geschoot) mōs hij ’n dik pak sloag hebben = eigenlijk heeft hij een ferm pak slaag verdiend; van rechten (of: as ’t goud was) mōs ’k wat van joe tou hebben = ’t zou billijk zijn als ik wat van u toekreeg, in plaats dat ik moet bijpassen; van rechten mōs hij d’r niks van hebben = als hem recht en gerechtigheid gedaan werd kreeg hij er niets van.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
recht , richte , richt , een weg die in de richte lopt = de kortste weg, het naaste pad; oet de richte loopen = een omweg maken; ook Drentsch, Oostfriesch, Nedersaksisch, Westfaalsch, Oud-Hoogduitsch richte = in rechte richting. Staat voor: richting, en zooveel als: in de richting van de plaats waarheen men zich begeeft. Overijselsch: in de rigt = op den weg (naar, enz.).
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
recht , recht , (bijvoeglijk naamwoord) , Zegsw. Recht is recht, en de kerk in ’et midden. – ’t Is zo recht as ’en schele jongen zien ken. – Vgl. spatrecht en rechtevoort.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
recht , recht* , zie ook docht *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
recht , richt , recht, vandaar: kort. De richtste weg; deze weg is richter. (Winkler Idiot. I. 358). Verg. v. Schothorst 190.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
recht , richt , Kort (van afstanden). De binnenweg nao Twelle is wel ʼn ketier richter as de bü̂tenweg. Langes disse weg lópî richter as langes den. Disse weg is ʼt rich(t)ste.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
recht , rech , recht.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
recht , rich , In de rich halde, op het rechte spoor houden. Dao is gen rich mit te scheete, daar is niets mee aan te vangen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
recht , richte , richter, ’t richtste: kort, alleen ter aanduiding van een weg. De richtste weg.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
recht , rech , bijwoord , recht, rechtvaardig, echt
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
recht , rech , zelfstandig naamwoord, onzijdig , rechn , recht
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
recht , rech , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , recht
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
recht , richt , m , richting, kant Daor is gén richt mi te schiête Daar kun je geen kant mee op!
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
recht , richter , richst , korter van afstand Dè’s richter Dat is korter van afstand; richst kortste afstand Dè’s ’t richst Dat is de kortste afstand.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
recht , rėch , rėchte, rėchde/rėchter, rėchste , juist, goed; geoorloofd; billijk, rechtvaardig. Doe mós de rėchde waech gaon: je moet de juiste weg bewandelen. Al waat rėch en billik is: alles wat rechtvaardig en billijk is. Wae zeelich wilt sjterve, leet de réchden erve: wie zalig
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
recht , rėch , onzijdig , rėchte , recht, wetten, voorschriften, verworvenheden enz. Dat is dich op die rėch gesjtreeke: dat is je verdiende loon. ’t Is ’m neit rėch: hij is het er niet mee eens.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
recht , rèècht , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , rechtuit, meteen. 1. Hoe koom ik in Diesse? Aaltè mar rèèchttoevòrt. Altijd maar rechtdoor (tussen 1940-1945: immer geradeaus). 2. Rèècht nò hùis koome war! Meteen naar huis komen. En de gerichtste wèg pakke. En de kortste weg pakken. 3. Jaoneke waar nog mar amper dòòd of de femielie ging rèècht nò de nòtaores. De familie ging meteen naar de notaris.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
recht , richt , d’r is gen richt mej te schete; doa is niks mej á te vange.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
recht , richter , de kortste waeg.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
recht , [korter van afstand] , richter , korter van afstand.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
recht , richter , korter van afstand.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
recht , recht , racht , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , Ook racht (Zuidoost-Drents veengebied, veroud.) = 1. recht, niet krom Nuum ij die lijnen recht? Zie bint jao zo krom as een klaver (Oos), Hij is zo recht as een keers (Anl), Die stok is sekuur recht (Wtv), Het is zo recht as miege krom (Eli), Die man is recht deur zee zegt waar het op staat, is eerlijk (Sle), Dou mai mor recht op en deel een heldere borrel (Row), ook zelfst. Hie hef het leeifst een recht op en deel in het glassie (Bal) 2. echt, eigenlijk, juist De rechte tied van erpel poten is eigenlijk veurbij (Sti), Hij hef die man wel annummen, mor het is de rechte persoon niet (Eke), Ik had er de rechte zin niet an (Hol), Ik weet niet recht of het wal waor is (Sle), Gieneein wol der recht veur oetkommen, wel opdracht geven har (Eex), Mien vrouw, ik kan der niet over pochen, het wil niet recht mit heur het gaat niet zo goed met haar (Nam), Daor hadden wij recht niks met te maken eigenlijk (Sle), Hij har recht wat koorts echt (Hoh), Het stiet allemaol in de kaste, het wordt recht nooit gebruukt eigenlijk (Eri), Recht kold is het niet echt (Flu), (zelfst.) Het rechte weit ik der ok nich van, man der is wal wat bezunders gebeurd het juiste (Bco), Het rechte zuj wel nooit gewaor worden hoe het precies zit (Eev) 3. oprecht, eerlijk Je kunt er maor beter recht veur oetkommen daj het daon hebt (Dro), Hij zee het hum recht in het gezicht (Bov), Zij is recht tegenover iederiene (Flu), Het gait der neit recht tou (Erf), Aj het recht beschouwt, hew een raor taoltien (Sle) *Recht is recht en ongeliek hef een bochel (Zwin); Recht deur zee en schuuns deur de pankouken aanmoediging om toe te tasten (Een); Recht deur zee, dan verzoep ie het eersten (Klv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
recht , recht , racht , het , rechten , Ook racht (zov, veroud.) = 1. recht Hij hef het recht um daor een scheiding an langs te trekken (Klv), Ik heb nog rechten in dat laand (Sle), Het recht möt zien beloop hebben (Die), Hij stiet volkomen in zien recht (Ruw), Hij stiet op zien recht rechten (Bro), Hij hef recht van spreken (Coe), Je kunt het recht niet in eigen handen nimmen (Dro), Hij hef zuk recht verschaft (Erf), Hij hef het recht an zien kaant (Gie), Het recht met vute treden (Scho) 2. datgene, waarop men recht heeft, aanspraak Geef elk zien liek en recht zijn deel (Bov), Dat was zet recht vaststaand recht, vast en zeker (Row), Daor gunk de ofslager niet onder; dat was zet recht (Zdw), Hij hef het oldste recht (Eex), ...de aoldste rechten (Eco), Dat is zien goud recht (Row), Doe most an dien recht zein te kommen zien dat je je portie krijgt (Bco), Het is daor niet tot zien recht kommen (Bor), Ik wil mien recht hebben (Erf) 3. gerecht Het komp veur het recht (Hgv), Ze bint er ook al mit veur het recht ewest (Ruw) 4. in van rechten of van recht (Zuidoost-Drents zandgebied) a. eigenlijk Hij haar der van rechten gien aordigheid an (Dwi), Het hef van rechten niet regend het was nauwelijks de moeite waard (Sle), Ik heb hum van rechten nog nooit ziek zien (Wes), Ze hef dat spinnewiel van recht nooit gebruukt (Bor) b. al te best (Kop van Drenthe) Het wil nog niet van rechten (Row), Hij is nog niet van rechten nog niet weer gezond (Row) 5. (Zuidwest-Drenthe, zuid), in Hij was mit recht ziek goed ziek (Flu), en De open heerd wordt mit recht nooit gebruukt eigenlijk (Ker) *Woor niks is, hef de keuning zien recht verloren (And), ...de keizer zien recht verleuren (Wap)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
recht , rèècht , recht.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
recht , richt , d’r is gèn richt mè te schiéten, daar is niets mee te beginnen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
recht , recht , zelfstandig naamwoord , recht
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
recht , recht , bijvoeglijk naamwoord , recht
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
recht , rech , recht.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
recht , recht , richt , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. niet krom, niet bochtig 2.haaks, een rechte hoek vormend op 3. rechtop, overeind 4. zoals het normaal beschouwd kan worden, niet verkeerd, niet omgekeerd 5. goed, juist, zoals vereist 6. precies, geheel en al 7. pal, juist
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
recht , recht , zelfstandig naamwoord , et 1. recht, rechtvaardigheid 2. rechtscollege, gerecht 3. het gelijk, in et recht an je kaant hebben 4. aanspraak 5. dat wat iemand rechtens toekomt, waarop men aanspraak kan maken 6. bep. belastingen, bep. vergoedingen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
recht , recht , uitdrukking , Geef mijn maor een glaessie recht op en neer Geef mij maar een glaasje sterke drank
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
recht , rechterste , bijvoeglijk naamwoord , juiste Is dat nou de rechterste? Is dat nu de juiste?
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
recht , réch , zelfstandig naamwoord onzijdig , réchte , - , recht , réch VB: Dat ês 't réch van de kuüning van de sjöttery VB: Ich zeuk me réch, al gèit 't wie 't wêlt.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
recht , réch , bijvoeglijk naamwoord , recht , VB: 'r Kaom réch op mich aof. Zw: Zoe réch wie 'n kiëts Zw: 'r Löp neet réch ién z'n sjoon Zw: Neet good réch zién: niet goed wijs zijn Zw: E réch nisjeke (in tegenstelling tot: 'n haaf nisjeke); neet good réch zién gek (gek zijn) neet good réch zién; neet good réch zién wijs (wijs zijn); neet good réch zién
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
recht , rèècht , recht
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
recht , rèèchtvurùìjt , rechtuit
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
recht , recht , rech , (zelfstandig naamwoord) , 1. rechtvaardigheid. Zi’j ebben em gien rech(t) edaon; 2. gelijk. ‘t Rech(t) an zien zied ebben; 3. wat iemand toekomt. Zien rech(t) laoten gelden.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
recht , recht , rech , 1. bn., bw., recht, niet krom of scheef. Die stave is niet rech(t). Die lieste angt niet rech(t); 2. bw., recht, juist, pal. Dät boek ligt rech(t) veur oe.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
recht , rèècht , recht, niet gebogen , Rèècht óverénd bleijve stòn. Recht overeind blijven staan.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
recht , rèècht , recht, gerechtigheid , Nor rèècht én reej. Naar recht en rede. Gegrond.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
recht , recht , het recht alleen hebben, het rijk alleen hebben (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
recht , rich , richt , kort; richtste weg, kortste weg.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
recht , rech , recht , rechter, rechst , recht , De sjötte stónge kaesrech(t). Noe stank ins recht!
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
recht , rejt , rejcht , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , (Ospels) precies, recht
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
recht , rejt , rejcht , zelfstandig naamwoord, onzijdig , (Ospels) recht
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
recht , rèècht , zelfstandig naamwoord , recht; Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - óp zen rèècht staon as nen boer óp zen klómpe (Handschrift Damen 1916) - spr.w. vergel. Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RECHT znw.o., Fr. droit
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
recht , rèècht , bijvoeglijk naamwoord , recht, vlak; ene rèèchten èkker = een vlakke akker rèècht toe vórt - rechtuit. WBD rèècht - goed uit de weg kunnend, niet kreupel zijnd (v.e.paard), ook genoemd: 'rap', 'rad' of (Hasselt) 'vlòt'; Cees Robben – Ik koom rèècht van den berrebier... (19861031); gez. Rèècht is rèècht, zi Schêefhals; WBD III.1.4:301 'rechttoe-rechtaan' = eerlijk; WBD III.4.4: 'recht' = rechtopstaand, ook: 'ferm', 'fluks', 'steil' (203); III.4.4:204 'rechtop', 'recht omhoog' = rechtopstaand III.4.4:228 'recht' = vlak, ook 'effen', 'egaal', 'plat' III.2.3:290 'recht op en neer' = helemaal rechte sigaar; A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - bijvoeglijk naamwoord en bijw. 'raecht' - recht; Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - rèècht bijvoeglijk naamwoord, bw - rechtuit, meteen
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal