elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: rijs

rijs , riize , e. v. collective, takkebosschen om te branden.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
rijs , rîs , (onzijdig) , rîse , vr. tak.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
rijs , ries , (soortnaam), voor: twijgen, takken van de wilg; mout ries bie de arten = ’t wordt tijd dat er rijzen bij de erwten gezet worden. Zie ook: arten.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
rijs , ris , gisting, rijzing; van iets, bv. van een meelbeslag dat door gist aan het rijzen is gebracht, zegt men: dʼr is ris in. Stam van: rijzen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
rijs , risk , rechtop, zich in de hoogte verheffend. Oostfriesch risk = rijzig, slank gebouwd, rechtop, enz., Noordfriesch risch; Oldenburgsch risk = rechtop. Middel-Nederduitsch risch, risk. Van het Middel-Hoogduitsch resche, resch = rasch, snel, gezwind; Oud-Hoogduits rîsan, Middel-Hoogduitsch rîsen = zich verheffen, stijgen, eene opwaartsche beweging maken
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
rijs , rijs , (bijvoeglijk naamwoord) , Bij de papiermakerij. Geen water houdende, het water latende vallen; van de breiachtige massa (de stof), waarvan het papier gemaakt wordt. Als de stof te rijs is, wordt het daarvan vervaardigde papier broos. || Pas op, de stof wordt te rijs. Stof allienig van blauwe vodden wordt rijs; je moete ze deerom (dus) moeleren mit aâre vodden. – Lompen, die de stof rijs maken, noemt men rijsig. || Neem niet allien zokke (zulke) rijsige lompen, aârs houdt ’et papier gien verband. – Rijs behoort bij het ww. rijzen in de aan de Zaan niet bekende zin van (water) laten vallen. Vgl. het in de oostelijke streken van ons land gebruikelijke rîzen, druipen, Z.-Nederl. rijzen, vallen, afvallen, strooien (SCHUERMANS; vgl. de boektitel Rijzende Blaren van VAN BEERS), KIL. “rijsen, af-rijsen, labi, delabi, decidere, defluere, descendre” en “rijsen, j. pissen”. Ned. rijselen, uitvallen van graankorrels (VAN DALE), Vlaams rijzelen (SCHUERMANS), reuzen (DE BO); Hgd. rieseln, neerdruppelen. Zie verder FRANCK op rijzen en VERCOUILLIE op rijselen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
rijs , ries , mannelijk , rijs (bièrkenries)
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
rijs , rijze , Nomen collectivum voor takkebosschen. Een rijzebosch is een takkebosch, zie Kiliaan op Rijs. [Een rijs, een rijsken, in ’t meervoud rijze of rijzere; een bosch rijze.]
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
rijs , ries , zelfstandig naamwoord, mannelijk , riezn , riesken , rijshout
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
rijs , riês , o , rijshout.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
rijs , ries , onzijdig , ẹ ries van ẹ besjlaach, een lichte beroerte.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
rijs , ries , onzijdig , riezer , riske , rijs. Haut dich oet de riezer: blijf buiten schot. Haut dem in de riezer: hou hem in de gaten. Wenste wils weite, of noch ’nen haas urges löp, zët dan mer ẹ risken in ’t veljt: als je wil weten, of er nog ergens ’n haasje rondloopt, s
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
rijs , rijs , rijzer, rijste , lang en slank.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
rijs , rîes , dun tekske; goan as en rîes: enthousiast iets doon.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
rijs , rieze , rijshout.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
rijs , rieze , rijshout.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
rijs , ries , de, het , rijs, takje Wij moet nog wat ries(holt) bij de peulties zetten (Sle), Veur de bessems moej fien ries hebben en veur de aarten wat groffer (Eex), De appels höngen an de boom as aarften an het ries (Die)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
rijs , rîêze , (Gunninks woordenlijst van 1908) rijs
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
rijs , riezn , rijshout.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
rijs , ries , zelfstandig naamwoord , de, et 1. rijshout 2. rijs, twijg, met name van wilgenhout
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
rijs , riés , zelfstandig naamwoord onzijdig , riézer , - , twijg , (dunne twijg) riés Zw: Zich oét de riézer hawe: uit de buurt.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
rijs , rèès , rijs. twijg of teen. ook rijshout genoemd. meestal van de berk of wilg. in de uitdrukking “’ne rèèze bessem”, “een bezem van rijshout”.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
rijs , rieze , (met lange ie) , zie: ries-olt.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
rijs , ries , rieze , 1. boomtak, twijg 2. collectief: rijshout, dunne takken; riezebos, takkenbos, bos rijzen; rieze(n)miet(e), 1. stapel takkenbossen; 2. opslagplaats van brandhout.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
rijs , ries , zelfstandig naamwoord , twijg, jonge tak (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
rijs , ries , (onzijdig) , rieser , lang, dun takje
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
rijs , rieske , wilgenteen of –takje, gebruikt om klimerwten tegen te laten opgroeien
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
rijs , riês , zelfstandig naamwoord, mannelijk , riêze(r)/riêsder , rieske , boomtak, twijg; riêze (meervoud) graan, uit aren gevallen
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
rijs , rèès , zelfstandig naamwoord , WBD III.4.3:74 'rijs' = twijg of jonge tak
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal