elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: rijzelen

rijzelen , riezele , riezelde, haet geriezelt , het langzaam neervallen van sneeuw, regen, stof, bladeren enz. ’t Kaore ris: uitvallen van roggekorrels uit de aren tengevolge van ongunstige weersomstandigheden (droogte); gedwongen uitstel van de oogst.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
rijzelen , rîeze, rîezele , oaverrîepe rog deen oête oare velt; roonddraeje.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
rijzelen , riézere , werkwoord , riézerde, geriézerd , rijshout , (bij erwten plaatsen) VB: Vergët neet de érte te riézere, aanders valle ze dich nog öm.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
rijzelen , riezele , riesele , werkwoord , riezeltj, riezeldje, geriezeldj , motregenen, miezeren, motsneeuwen (Duits: rieseln) ook neetsele, riesele, zemele
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal