elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: rong

rong , rongen , rongen, stylen tegen welke de zyplanken van een boeren wagen vast staan. Men heeft boven elk rad een rong, voorrongen en achterrongen. Ook zo in Drenthe: de twee houten beweegbaar op de voor en achter as rustende waarin de rongen vastzitten zyn de schämels met den klank der gr. êta.
Bron: Berg, A. van den en H.J. Folmer (1774-1776), ‘Veluws en Drents uit de 18e eeuw’, uitgegeven door K. Heeroma in: Driemaandelijkse bladen 12 (1960), 65-83, 97-116.
rong , ronge , (vrouwelijk) , rongen , rong, hout aan den boerenwagen, waartegen de zijkanten rusten.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
rong , rōng , groote ijzeren nagel of spijker om zwaar houtwerk aan elkander te bevestigen; woagenrōngen = de ijzeren staven, waartegen de wagenladders leunen, bij v. Dale rongstokken. Oostfriesch runge, rung. Nedersaksisch, Noordfiesch. rung, Nederduitsch, Middel-Nederduitsch runge, Kil. ronghe, Angel-Saksisch hrung, Oud-Noorsch hrungnir, Oud-Engelsch hrunge, Engelsch rung, rong. Oud-Hoogduitsch runga, Middel-Hoogduitsch runge = staaf tot steunsel der wagenladders, Gothisch hrugga = staf, stang.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
rong , rong* , bij v. Dale een der vier staande sporten van een wagenladder.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
rong , rongĕ , ond. wagen, V, 50.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
rong , ronge , vrouwelijk , rong, houten of ijzeren steun voor de zijstrekken (ladders) van een boerenwagen
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
rong , ronge , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , rongn , rungsken , opstaande ijzeren stang aan de buitenkant van boerenwagen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
rong , rong , ronge , een grote spijker of houten pen
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
rong , ronge , zelfstandig naamwoord meervoud , Stukken in de schamel van een rijtuig die tot steun dienen. Vgl. het N.E.W. onder rong.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
rong , rónge , oëge án werskânte vánne kár woa de britjes i gezatte woorte.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
rong , ronge , ijzeren staaf op een boerenwagen om de zijschotten te steunen.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
rong , ronge , ijzeren steun aan de ladderwagen waar een balk inpast.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
rong , rong , ronge , de , rongen , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook ronge (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, veengebieden Oost-Drenthe) = 1. dikke spijker Houw der mar een ronge in, dan zit het goud vast (Bov), Rongen zaten deur de plaeten in de gebienten (Dwi) 2. deel van een boerenwagen, opstaande ijzeren steunen In de schamel zitten de rongen, waor de ledders of ziedhekken tegen leunen (Hgv), IJ moet even een haak um de rong doen, dan kan de ledder niet verschoeven (Sle), De wagen mot hen de smid, met de bovenvracht is de rong zet (Bor), (-) peerd op de loop en dat de waogen over de kop vloog, zodat e op de rongen stun (Pei), ook de opstaande palen bij een wipkar Rongen op het veurbred van de wupkar (Eex)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
rong , ronge , (Kampereiland, Kamperveen) houten of ijzeren steun van een wagenladder
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
rong , ronge , rong (metalen) staander aan de zijkant van een (aanhang)wagen.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
rong , ronge , zelfstandig naamwoord , de 1. elk der staanders waartegen een wagenladder steunt (van hout of ijzer) 2. lange, zware spijker
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
rong , ronne , zelfstandig naamwoord , oogstwagen , (deel van een oogstwagen) ronne
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal