elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ruiteketuit

ruiteketuit , roêteketoêt , roêteketoêt keumt aaltied oêt: zidde wál.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
ruiteketuit , rèùteketèùt , zelfstandig naamwoord , "uitdr. - op de rèùteketèùt - zonder voorzorgen, op de bonnefooi; Cees Robben – [Onderwijzer:] Wes ’t verschil tussen ruiteketuit en bonnefooi... [leerlinge:] Volgens men is dè één tiet-mem, mister... [onderwijzer: Heel mooi, Filleke.. (19840120); Van Beek - Op ruitekeduit ergens heengaan. - Op de bonnefooi ergens heen gaan. - Op goed geluk, in goed vertrouwen. (Nwe. Tilb. Courant; Dialect en spreekwijzen; 6 december 1958); Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - óp rèùte kadèùt ('78) - op goed geluk (Wsch. een overblijfsel van de toverformule 'har-uit, kaduit, de schoorsteen uit'; zie ald.); Daamen Handschrift (1916) - ""ruiterkenduit - zonder geld (op zwart zaad)""; CiT (79) 'Daor gao'k niemir nor toe op de rùiteketùit'; C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - Wellicht een schertsende vorming van 'ruiten' = volgens Van Dale: 'roof plegen', op woeste wijze rondlopen, rinkelrooien. WNT RUITEN (IV) - 1) roof plegen, rooven, plunderen; 2) in Belgisch Brabant voor: op een woeste wijze rondloopen, rinkelrooien; zie reutemeteut"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal