elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schortschuur

schortschuur , sjòrtsjuu:r , overkapping met meerdere steunpalen als bergruimte voor het hooi.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
schortschuur , schortscheur , in huëgte verstelbaar daak, gedrage dór már iëne poal.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
schortschuur , sjortsjeur , zelfstandig naamwoord , sjortsjeure , sjortsjeurke , ronde schuur voor de opslag van stro of hooi, waarvan het dak met behulp van een lier naar beneden of naar boven verstelbaar is ook sjopsjeur
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal