elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schuren

schuren , schuren , schrobben
Bron: Boers, B. (1843), [Goerees] ‘Lijst van eenige verouderde, of in de provincie Zuidholland niet gebezigde Nederduitsche woorden, welke op het eiland Goedereede en Overflakkee nog heeden in gebruik zijn’, in: Beschrijving van het eiland Goedereede en Overflakkee, Sommelsdijk, pp. 48-57
schuren , schuren , schrobben
Bron: Boers, B. (1843), [Overflakkees] ‘Lijst van eenige verouderde, of in de provincie Zuidholland niet gebezigde Nederduitsche woorden, welke op het eiland Goedereede en Overflakkee nog heeden in gebruik zijn’, in: Beschrijving van het eiland Goedereede en Overflakkee, Sommelsdijk, pp. 48-57
schuren , schuren , schoeren , voor hetgeen, dat men in Holland noemt schrobben of boenen. Zoo zegt men hier nooit de keuken of de kamer schrobben of boenen, maar in beide gevallen, , sommige vrouwen schuren des Vrijdags, andere des Zaturdags. Dat het woord schuren beter is, dan schrobben of boenen, is daaruit blijkbaar, dat deze twee laatstgenoemde woorden eigenlijk vegen beteekenen.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
schuren , schûren , (zwak werkwoord) , schuren.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
schuren  , schoore , schuuren.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
schuren , schůůren , zwak werkwoord , schuren, poetsen. Kloompe schůůren
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
schuren , geschoerd , slaag, ervan langs Ze flink geschoerd kriége Flink ervan langs krijgen.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
schuren , schoerse , knarsen, schuren.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
schuren , sjoere , werkwoord , sjoerde, haet of is gesjoert/sjoerde, haet gesjoert , schuren; slaan; biechten. ’t Taofelblaat sjoere: het tafelblad schuren. Zich ’t kaetelke sjoere: biechten. Eeme de pókkel sjoere: aframmelen, of: uitschelden. Sjpėk mit moore, dao kénste de boere de vot mit sjoere: spek en wort
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
schuren , sjoerre , 1) schuren, krabben, nl. tegen jeuk; 2) bewerken van hout met gewoon schuurpapier; 3) vlekvrij maken van bijv. pannen door te schuren met bijv. zand.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
schuren , schore , ów d’r naeve schore: zörge dát ge iets ni hóf te doon; schuren.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
schuren , schoeren , reinigen door schuren, b.v. van klompen.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
schuren , schoeren , 1. langs elkaar schuren. 2. tot ontwikkeling komen van een onweersbui.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
schuren , schoeren , schoeren, eschoerd , schuren.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
schuren , schuren , schoeren , zwak werkwoord, overgankelijk , Ook schoeren (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. schuren In de oorlog schuurden wij de pannen met zaand (Bor), As die hond jeuk hef, schuurt e langs de stoel (Coe), Vrogger musse wij de klompen schoeren en dan mit uutgebraand karbid iensmeren; as ze dan dreuge waren, waren ze mooi wit (Ruw), Die takken schuurt aal an de muur langs (Gas), Aj de mölkbussen schuurt met wit zaand, wordt ze heeil mooi (Eex), (zelfst.) An de strengen van het peerd zat een moffe veur het schoeren tegen de boek (Dwij), (fig.) Die mus daor het haol schuren het werk doen (Sle) 2. stroef gaan, aanlopen (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidwest-Drents zandgebied) Mien fietse schoert zo, ik geleuve dat het achterrad anlöp (Bro), De pompe giet zwaor, het ummertie schoert wat (Die)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
schuren , schoeren , schuren.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
schuren , skoeren , schuren
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
schuren , schoern , schuren. De kiender gaot met netties geschoerde klompm naor de schoele.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
schuren , schoere , schurken , Die váérekes hébbe veul jeuk zód'de zègge, ze zén d'r aojge ônhaauwend ôn’t schoere. Die varkens hebben veel jeuk zou je zeggen, ze schurken zich regelmatig.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
schuren , schuren , werkwoord , zich schamen, in je nargens veur schuren
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
schuren , schoeren , schoerken, schuren , werkwoord , 1. stevig wrijven met een schuurmiddel enz. 2. (in het bijzonder) hetz. als keuperpoetsen 3. langs iets schuren, met sterke wrijving gaan of doen gaan (langs iets) 4. aanlopen (van een wiel enz.)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
schuren , sjore , werkwoord , sjoorde, gesjoord , schuren , (afw. vormen o.t.t., dich sjeurs, hër sjeurt) VB: Vreuger woerte de sjteul mêt mélleger gesjoord. VB: Zich tiënge de d'n duursjtyl sjore: zijn rug tegen de deurstijl schuren om de jeuk te doen ophouden Zw: Sjoors te neet, daan bleenk 't neet, daan koëme oüch de vryjers neet: aansporing tot de dienstboden (vero.) Zw: Ze zich sjore: niets uitvoeren Zw: Z'nne këtel sjore: biechten. Zw: De kêns mich de pôkkel sjore: je kunt me nog meer vertellen.; biechten (gaan biechten) z'nne këtel sjore VB: 'Hebs te d'nne këtel al gesjoord? Dan sjpooj dich mer, vuur dats te 't wêts ês 't Paose.; ze gesjoord kriége slaag (een pak slaag krijgen); ze gesjoord kriége; z'n kloete sjore, ze zich sjore uitvoeren (niets uitvoeren); z'n kloete sjore; ze zich sjore
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
schuren , schoewere , schuren
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
schuren , skoeren , (werkwoord) , skoeren, eskoerd , 1. schuren. Die deure mu-j nog skoeren; 2. scheuken. Die koe skoert met zien konte langes een boom. Zie ook: skeuken.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
schuren , schoere , schuren, krabben , Mi oewe rug teejge de muur schoere. Met je rug tegen de muur schuren.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
schuren , schoeren , (werkwoord) , 1. schuren, schurken; 2. onweren; het schoert, het onweert.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
schuren , schoere , werkwoord , schrobben (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
schuren , sjore , sjoortj, sjoordje, gesjoordj , 1. schuren 2. lui zijn 3. klappen krijgen , De steul sjore vuuerdet ze gevèrfdj waere.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
schuren , sjoere , werkwoord , sjrtj/sjoertj, sjoerdje, gesjrdj/gesjoerdj , 1. schuren 2. niet bij de trappers van de fiets kunnen, waardoor tijdens het fietsen op het zadel van links naar rechts moet worden geschoven
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
schuren , schore , werkwoord , schuren, slaag geven
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
schuren , schuure , zwak werkwoord , "schrobben; fig. luieren vlekvrij maken van b.v. pannen; de stoep schuure; R.J. ik hèb menen vloer geschuurd; WBD schuure - schuren, van leer, op de nerfkant (II 662), ook 'slèèpe'; schuure - schuurde - geschuurd Geen vocaalkrimping N. Daamen - Handschrift 1916 – ""hij schuurt em - hij luiert""; WBD (III.2.1:313) schuure - schrobben, ook 'doen'; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHUREN met zand wrijven om te reinigen of te doen blinken; met eenen bezem of borstel en water rein wrijven of schrobben. J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - SCHUREN voor hetgeen men in Holland noemt 'schrobben' of 'boenen'. Zoo zegt men hier niet 'de straat schrobben' of 'den gang boenen', maar in beide gevallen 'schuren'. Z.a. Goem. SCHUREN - wkw: de kamer -"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
schuren , schaore , schaorde – geschaord , schuren
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal