elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: smeet

smeet , smedde , (vrouwelijk) , smeet; en smedde wegs, een steenworp ver, een eind weegs.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
smeet , smeet , in: ’t ligt in de smeet = ’t ligt op den weg waar men voorbij komt, waarin ligt opgesloten: men kan daar gemakkelijk een bezoek afleggen, enz.; Warfêm ligt in de smeet as ie van Grönen mit spoor noa Oethoezen goan. ik ken de krant in de smeet mitnemen; “Summege minsken, dei ien smeet aan straot woonden, gaffen wat.” Nedersaksisch enem in den smete komen = in den weg treden.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
smeet , smeet , kleine afstand; enne smeet weg.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
smeet , smeet , de , (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe) = 1. route, richting Ik kan der wel is even langs gaon, het lig toch in de smeet (Klv), Ik moet er toch langes. Ik kan het zo in de smeet metnemen (Row) 2. worp (Zuidwest-Drents veengebied, ti) Een smeet zèeikoren de breedte van een gezaaide baan (ti), Hij hef een mooie smeet daon gezegd bij het blokgooien (Bco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
smeet , smeet , zelfstandig naamwoord , de 1. in in de smeet de richting, in de buurt waar men moet zijn, iets heeft 2. baan bij het knikkeren
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal