elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: snierken

snierken , snierken , ‘grissen’ bij ʼt vliegeren. Door mij nooit gehoord, doch vermeld in N. Rott, Cour. van (30 of 31?) Augustus 1893. Daarbij Snierker, grisser.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
snierken , snierke , schûpe.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal