elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: snotkuiken

snotkuiken , snotkuke! , snotkuiken snotkuke dè ge dor ziet! Kleine vlegel, dat je bent.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
snotkuiken , snotkûke , snotneus.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
snotkuiken , snotterkuuken , 1. snotneus, snotterbel. 2. kind met wijze uitspraken. 3. kwajongen.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
snotkuiken , snòttekuken , jong onervaren persoon
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
snotkuiken , [snotkuiken ] , snoterkuke , (onzijdig) , snotkuiken , Hae is nog mer ei snoterkuke: te onervaren om ergens over mee te praten.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
snotkuiken , snoterkuke , zelfstandig naamwoord , snoterkukes , snoterkuukske , snotaap, broekie ook snoterkop, snoternaas
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal