elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: stevig

stevig , stevig , (bijvoeglijk naamwoord) , .
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
stevig , stévig , (bijvoeglijk naamwoord)
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
stevig , stevîg , voor: niet week, van nieuwe aardappelen; zij bin goud stevîg, moar nog nijt bloumd (gebloemd, dat is kruimig).
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
stevig , stiievig , stevig
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
stevig , sjteevich , bijvoeglijk naamwoord , sjteevigger, sjteevichste , stevig.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
stevig , stevig , en fleenke vrow; enne fleenke kel.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
stevig , stevig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , stevig Dat geval zit stevig in mekaar (Ker), Het is een stevige vent (Pes), Dat is stevige kost (Eex), Hie mus der stevig an trekken (Gas), Haar ik heur even stevig te pakken! (Pei), Ze haar een paor stevige bainen onder het gat (Row), Hij stiet stevig op de benen (Hol)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
stevig , stivvig , stevig. ze vatte mekaar stivvig váást, ze pakken elkaar stevig vast.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
stevig , stewig , stevig
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
stevig , stevig , bijvoeglijk naamwoord , 1. goed vast zittend, van hechte samenstelling of constructie 2. krachtig gebouwd, bijv. een stevige zetter stevig gebouwde meid 3. (van bewegingen) krachtig 4. ferm, met kracht
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
stevig , stèvig , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , stevig. Die kaste zit stèvig in mekaere.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
stevig , steejvig , stevig, , ’n Steejvige tante. Een forse vrouw.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
stevig , stevig , stieëvig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); stevig
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal