elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: stuiken

stuiken , [stoten] , stûken , (zwak werkwoord) , [weinig gebruikelijk]
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
stuiken , stûken , (zwak werkwoord) , stooten; spelen met knikkers.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
stuiken , stoeken , (onzijdig) = hokken, haperen, niet vlot doorgaan, stuiten op iets, beletsel ondervinden bij eenige bezigheid; de woagen stoekt = wil niet verder; het touw stoekt = er is iets in den weg waardoor het niet glijden wil en de geheele toestel tot stilstand wordt gedwongen; de toetsen (van een orgel) stoeken = blijven vastzitten. Oostfriesch stuken, stûken = tot staan brengen, het voortgaan beletten, tegenhouden; de wagen stûkt sük = blijft steken. Hiervan Groningsch verstoeken, Nederlandsch verstuiken; Oostfriesch ferstuken, altijd wederkeerend en bedrijvend gebruikt; ’k heb ’t enkel, de hand, de knei, enz. verstoekt; ’k heb mie verstoekt. Vgl. het Hoogduitsche stecken (staan, of steken blijven), en: staken (werkwoord), alsmede: stuiken, en stuik 3 bij v. Dale; eveneens: stokken 2.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
stuiken , stuiken , (zwak werkwoord, transitief) , Zie de wdbb. – Bij timmerlieden. Van balken, planken enz. Met de uiteinden tegen elkander plaatsen, vast aaneen doen sluiten. || De delen van ’en vloer worre om de andere op dezelfde onderlegger ’estuikt. (d.i. verscherft, opdat de naden niet naast elkaar zullen komen.) Het stuycken van de vloerstucken (die op het bovenste tafelment sullen leggen) sal altoos drie voet over die blockeels komen, Hs. bestek watermolen (a° 1634), archief v. Assendelft. Item de wech in de Crommenier heyt met goede vaste aerde op te maecken … ende deselve wech te beleggen met goede stercke houten breet ten minsten 14 duym wel vaste ende sterck gespijckert, ende dicht tegen den andere aen te stuycken, met goede vaste onderleggers, Hs. keur (a° 1659), aldaar. – Vgl. stuiking, stuiknaad.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
stuiken , stoeken* , bij v. Dale stuik = stoot, stuiken (gewestelijk) = duwen.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
stuiken , stuukĕn , Turf stuukĕn, aan bultjes zetten.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
stuiken , gestoekt , verdiend Héj hét ’m án diejen hândel dik gestoekt Hij heeft aan dat handeltje erg goed verdiend.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
stuiken , stoeke , ’m Flink stoeke Grof geld verdienen.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
stuiken , stoeke , botsen, schokken van voor naar achteren en terug; hompelend lopen Daor kumt ie ángestoekt Daar komt hij aangehompeld.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
stuiken , stoeken , haperen, stokken
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
stuiken , sjtoeke , werkwoord , sjtoekde, haet gesjtoek , stuiken. Eeme doorein sjtoeke: iemand doorelkaar schudden.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
stuiken , stoeke , stoompe; moeke; gaeld toestaeke.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
stuiken , stoeken , vallen, ergens tegenop lopen, stuiteren.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
stuiken , stoeken , stoeken, estoekt , 1. met een smak vallen; 2. ergens hard tegenaan komen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
stuiken , stoeken , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidwest-Drenthe, zuid, Kop van Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) = knikkerspel ‘Hiervoor werd een kuiltje in de grond gemaakt, waarna om beurten werd gespeeld. Je vroeg bijv. twee bij. De tegenstander gaf twee knikkers, waar je zelf twee bij deed. Daarop liet je ze in het kuiltje vallen. De knikkers die weer naar buiten stuitten, waren voor de werper’ (Hgv), z. ook koelegienstuiten
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
stuiken , stuiken , met de armen rechtuit stoten; de wès stuiken, het wasgoed polsen, uit de kuip optrekken en daarna weer onder water duwen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
stuiken , stoeken , 1. stuiken; 2. soort knikkerspel
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
stuiken , stoekn , blijven steken, niet verder kunnen. ’t Touw is te dikke, iedere keer blif ’t stoekn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
stuiken , stoeken , stuken, stokken, stoepen , werkwoord , 1. blijven steken, niet verder kunnen, stokken, haperen 2. trekken met één been 3. garven, bossen in stoeken, hokken plaatsen 4. turf hol, in kleine hoopjes stapelen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
stuiken , stuike , stoike , werkwoord , stuik, stuikte, gestuikt / stoik, stoikte, gestoikt , stuiken, het glad of gelijk maken van het ondereind van bossen stro of vlas door met de bos op de vloer te stampen; stoike [O] stuiken van wasgoed: het polsen, het uit de kuip optrekken en het weer onder water duwen
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
stuiken , sjtuüke , werkwoord , sjtuükde, gesjtuük , mest , (mest in de voor doen) sjtuüke VB: De mês môt gesjtuük wërde, aanders kömp 'r boëve de groond oét.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
stuiken , stoeken , (werkwoord) , stoeken, estoekt , blijven steken, niet verder kunnen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
stuiken , stoeken , blijven steken.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
stuiken , stuken , 1. spelen met knikkers; 2. vallen; 3. blijven steken (O.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
stuiken , stoeke , stuuke , werkwoord , schokken, winst halen (Land van Cuijk); stoeke; stuiteren (Land van Cuijk); stuuke; stutten (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
stuiken , [ophitsen] , stuike , stuiktj, stuikdje, gestuiktj , stoken, ophitsen , Lik toch neet zoea te stuike.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
stuiken , stoeke , werkwoord , stktj/stoektj, stoekdje, gestkdj/gestoekdj , stompen, bonzen; eine gestoekdje – een klein, gedrongen mannetje (Duits: stauchen – stoten, duwen, stuiken) zie ook battere, begaffele, boense, dessele, flaere, flaatse, fómpe, hauwe, klöppele, klaatse, slaon, titse, toeke, toepe, vaege, wappe, watsje
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
stuiken , stoêke , werkwoord , stoêktj, stoêkdje, gestoêktj , stuiken
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
stuiken , stèùke , zwak werkwoord , stuiken; WBD III.3. 2:104 stèùke = stuiken; knikkers in een kuiltje gooien; ook stèùte genoemd
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal