elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: stoppen

stoppen , stoppen , voor: vullen, van een vat of pot; ʼn pot stoppen = de pot met boter vullen; de botterpot is stopt = de pot is met boter gevuld. Aldus omdat het er zoo dicht mogelijk in gedrukt, in gestopt wordt; Van kruimige, voedzame aardappelen, waarvan men niet veel kan eten, die dus spoedig verzadigen, wordt gezegd, dat zij stoppen. – Zie ook: hollen, en: kroppen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
stoppen , stoppen , (zwak werkwoord) , vgl. instoppen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
stoppen , stoppen* , vgl. hollen * en kroppen *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
stoppen , sjtoppe , werkwoord , sjtopde, haet of is gesjtop , stoppen. Mit ’t ei laok ’t angert sjtoppe: de ene schuld met een andere delgen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
stoppen , stoppe , i-koele (petatte).
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
stoppen , stoppen , zwak werkwoord, overgankelijk , 1. stoppen Een kind stopt alles in de mond (Emm), Wij moet de erpel der nog under stoppen, ...maken onderdekken (Oos), Wij stopten de appels in het heui (Hijk) 2. dichten, vullen Een piskussen weur stopt met haverdoppen (Man), Ik mus altied helpen bie het worsten stoppen (Bov), Hij stopt het iene gat met het aander (Pdh), Kneelbeschuut stopt (Zey) 3. repareren van textiel Waos [wil je] mij dat gat in de boksebuus wal even stoppen? (Zwe), Ik heb gien sokken meer hiel, ik moe neug an het stoppen (Bor) 4. plaatsen, deponeren Jonge, jonge, wat heb ie oe wat in de vingers laoten stoppen (Mep) 5. stilhouden, ophouden Hie wol stoppen mit roken, mor het is niet lukt (Sti), Stoppen, jongens, het is holderd! (Schn)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
stoppen , stòppen , stoppen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
stoppen , gestopt , gestopt , De érpel moete gestopt worden ander zullen ze tenaacht messchien bevrieze. De aardappelen moeten nog gestopt worden anders zullen ze vannacht misschien bevriezen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
stoppen , stoppen , werkwoord , 1. dichtmaken van een gat 2. stoppen: een gat in breiwerk van een stop voorzien 3. vullen: van een pijp, om te roken 4. in iets duwen, proppen 5. stilhouden 6. ophouden, een einde maken aan iets 7. de buikloop stoppen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
stoppen , stoppe , werkwoord , stop, stopte, gestopt , schaften
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
stoppen , sjtoppe , werkwoord , sjtopde, gesjtop , stoppen , VB: De sokke sjtoppe VB: Ich kôs neet mie sjtoppe, de remme wäore kepot.; aftroeven (met woorden) sjtoppe. Zw: 'nne de moüjl sjtoppe; zwijgen (iemand doen zwijgen); 'nne z'nne moond sjtoppe (zie 'stoppen); 'nne z'n moûjl sjtoppe
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
stoppen , stòppe , zwak werkwoord , stòppe - stòpte - gestòpt , stoppen; WBD goed gestopte koej - harmonisch van bouw, ook genoemd: 'vierkaante' 'goej behänge', 'schôon behange', 'gelèjnde', goej gesloowte koej '.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal