elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: tuur

tuur , [verlangen] , tuur , (vrouwelijk zonder meervoud) , trek, verlangen, begeerte. Hij heeft weinig tuur op de reis, wat heeft ze een’ tuur op haren nieuwen dienst.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
tuur , tuur , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , In de uitdr. tuur hebben (of krijgen) in (of op) iets, er lust, trek in hebben (Jisp, de Wormer).Van turen, stipt kijken. Synon. spikkel hebben. || Ik heb tuur in die appel. Toekommende week is ’et kerremis; ik krijg er al tuur op. – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 109).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
tuur , tuur , zelfstandig naamwoord de , in de zegswijze erges tuur op hewwe 1. ergens lust, trek in hebben. 2. ergens kijk op hebben.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
tuur , toër , peen inne moor woa de deur á scharniert.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
tuur , tuur , zelfstandig naamwoord , tuure , tuurtie , [Klw] kippigheid Daer kijk ik me een tuur an Daar word ik kippig van
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal