elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: verwaaien

verwaaien , verwaejd , vernoame, gehuürd; doa heb ik niks vá verwaejd.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
verwaaien , veweien , verwaaien.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
verwaaien , verweien , verweien, verweid , verwaaien.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
verwaaien , verwèeien , zwak werkwoord, onovergankelijk , 1. verwaaien De dahlia’s bint oes verwèeid (Oos), Het haor hej verwèeid, kam ies! (Dwi), Hie zut er verwèeid oet, hie kan wal een drup ophebben wat haveloos (Sle) 2. overwaaien Het liekt slecht in de locht, maor het zal wal verwèeien (Odo)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
verwaaien , verwi’jen , werkwoord , 1. verwaaien: in wanorde waaien, kapot waaien 2. wegwaaien
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
verwaaien , verweien , (werkwoord) , verweien, verweid , verwaaien. Mien rozenstruke is met die ärde wind kats verweid.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
verwaaien , verwejje , werkwoord , (Nederweerts, Ospels) vermoeden, waarnemen
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal