elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: voor

voor , veur , in plaats van voor, in de beteekenis van ante. Zoo mede in zamenstelling als veurhoofd, veurschoot, de veurste, veurstel, enz. Volgens Kiliaen is het
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
voor , [ploegsnede] , vurg , (vrouwelijk) , vurgen , voor, ploegvoor. Het eene paard loopt in de vurg; twee vurgen, twee voren diep ploegen.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
voor , [ploegsnede] , vóre , (vrouwelijk) , voor (van den ploeg).
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
voor , vör , (voorzetsel) , voor.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
voor , veur , voor; ook Nedersaksisch, enz. In ’t Westerkwartier laat men, wanneer er van een koop sprake is, steeds den klemtoon op dit woord vallen; ik heb d’r zooveul veur geven; houveul hej’ d’r veur geven? wat mou ’k t’r veur geven?’n maid veur heur hebben (steeds met den klemtoon) zooveel als: zij (vrouw of huishoudster) heeft eene meid ten haren dienste, zij behoeft dus het gewone huiswerk niet te doen. – dat stait ’r veur! (met den klemtoon) = dat is een schoon vooruitzicht!
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
voor , [ploegsnede] , vurg , vurge , voor, vore. “– maar ook ten aanzien van de breedte en van de hoogte, waarop de vurg opgeworpen wordt. Dat de vurg ver weggebracht en volkomen omgekeerd wordt, is eene deugd.” (Oldampt 1869). Oostfriesch vurg, Hannover fore, Oud-Friesch furga, Hoogduitsch Furche, Oud-Hoogduitsch, Angel-Saksisch furh, Engelsch furrow, Deensch furre, van ’t Angel-Saksische fyrian = voren maken, ploegen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
voor , [ploegsnede] , voor , veur , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Daarnaast (Assendelft) veur. Vore, in het land. Synon. vurg. || Veuren trekken in ’et land.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
voor , voor , veur , (voorzetsel en bijwoord) , Daarnaast soms veur. Zie de wdbb. || Wet geef-je der veur? – Je neus krulde ook maar niet, dat je nag veur een vraister anekeke wiere, hè? (er wordt gesproken tot een getrouwde vrouw), Sch. t. W. 278. – Zo ook in samenst. veurdoen, veurgaan enz. naast voordoen, voorgaan.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
voor , veur* , bij v. Dale “voor de deur” = op straat, en evenzoo “voor de poort” = buiten.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
voor , [ploegsnede] , vurg , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Voor, greppel. Thans verouderd, maar het woord moet blijkens de aangehaalde keuren ook in dit deel van N.-Holl. gewoon zijn geweest. Ook in de Beemster werd het in het midden van deze eeuw nog gebruikt (Navorscher 7, 321; BOUMAN 113). || Item, geen Gras te mogen snijden in ander luyden Vurgen, sonder konsent van den Eygenaar (keur v. Uitgeest, a° 1635), LAMS 506. Alle de Vurgen ende Water-gangen bij de huysen ende opte Geest, die men gewoon zijn op te maecken, wederomme op te ruymen ende geheel kant op te maecken, (idem, a° 1661), ald., 519. Oock soo sal hem niemant vervorderen te snijden eenighe Vurgh-gras oft ander Gewas, aan de Voet-Wallen van de Ackers ofte in de Vurgh op een ander zijn gront staende, ’t zy waer dat het soude mogen wesen, op de boete van 42 schellinghen (keur v. Akersloot, a° 1661), ald., 489. – In de zin van ploegvore is het woord nog gewoon in Friesl. (furge), Gron. (MOLEMA 462: vurg, vurge), Oost-Friesl. (KOOLMAN 1, 573: fürge), Saterland (forge). Evenzo Hgd. furche, Eng. furrow. Vgl. voor de oudere vormen FRANCK 1105 op voor, vore.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
voor , veur , voor; veurnuus, voor in huis.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
voor , veur , voor, Veur zoëvaer, voor zoover.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
voor , [ploegsnede] , voor  , (lang uitspreken) , voor bij het spitten.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
voor , vüür , voorzetsel , voor. In ’t vüüren: van tevoren
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
voor , vòore , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , vòorn , vòorkn , voor
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
voor , vuur , voorzetsel , voor. Vuur hebm, in ’t zin hebben; dr vuur hòoln, lang duren; een der vuur komm, iem. een pak slaag geven; dr vuur doon, in publieke verkoop doen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
voor , veûr , veûr en nao voor en achter.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
voor , vörste , voorste, eerste Hántje de vörste Haantje de voorste.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
voor , vurg , vurge , voor (ploegvoor)
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
voor , voor , voorzetsel en bijwoord , in de zegswijze op voor werke, vooruit werken. – De klok loupt op voor, de klok loopt voor. – D’r voor in staat weze, er toe in staat zijn.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
voor , [ploegsnede] , vurg , zelfstandig naamwoord de , Vore (gemaakt door de ploeg).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
voor , veur , voor. Veur de borde kómme: op de proppen komen. Waat me veur haet, kan me nao misse: men moet het niet dubbel en dwars willen hebben. Veur ėch: niet voor de grap, gemeend. Veur en nao koume ze heivisj: de een na de ander kwam
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
voor , voor , vrouwelijk , voore , veurke , voor, ploegvoor. Sjeif voore draagen ouch vruchte: men moet iemands bekwaamheden niet uitsluitend naar zijn uiterlijk beoordelen. Op ’n króm voor wasse de meiste vruchte: de slechten gaat het het beste.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
voor , veur , voorzetsel , vooraan. Bij te laat komen in de kerk zei men (als men dat tenminste niet betreurde): Wètter veur afgo kòmt ’r aachter nie bè! Wat er vooraan afgaat komt er achter niet bij.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
voor , vur , voorzetsel , tegen, als, voor. 1. Wörrem hèdde zònne dikke jas aon? Vur de kaaw, wè dochte? Waarom heb je zo’n dikke jas aan? Tegen de kou, wat anders! 2. Fientje hè daor zeuve jaor vur meid gewònd. Fientje heeft daar zeven jaar als meid gediend. 3. Voornamen die op vur volgen krijgen een achtervoegsel. Vur Janne. Vur Piete. Vur Willeme. Bij vrouwen volgt er dikwijls een s. Vur Annekes. Vur Mina’s.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
voor , vur , veur , voor: dá’s vur oow; vur ut hoês (pláts).
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
voor , veur , voor; * die slag is veur oe: daar heb ik niet van terug.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
voor , [ploegsnede] , vore , voor; * met die man is gin rechte vore te bouwen: met die man is geen overleg mogelijk.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
voor , veur , vèur , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , Ook vèur (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe) = voor IJ bint er goed veur hebt de centen ervoor (Emm), Ik bin der niet veur, mor het möt (Wee), Wat e veur hef, hef e niet achter hij weet wat hij wil (Dal), Hie hef dat wicht anpakt; ze gaf er anleiding veur toe (Sle), Wij hadden het er wal zo’n beetien veur begrepen het zo’n beetje (hi), Aj wat belooft, moej der ok veur staon ben je er ook aansprakelijk voor (Dal), Ik stao der veur dat het good is sta er voor in (Die), Daor koj niet veur vort, dat moej doen kun je niet onderuit (Klv), Ik was hom net een slag veur net iets eerder dan de ander (Eco), Kaold hè? Jao daor is het winter veur (bb), Hij was zo gek op dat wicht, het was de heile dag Annie veur en Annie nao (Bco), Evert is goed (...) en daor was al veul veur zegd al veel mee gezegd (ti), Of jouw volk meugen der bezwaoren veur hebben tegen (ti)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
voor , veur , vèur , het , veurs , Ook vèur (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe) = voor Alles hef zien veur en zien tegen, en wat gaoj non doen? (Emm)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
voor , veur , vèur , voegwoord , (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe). Ook vèur (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) = voordat Veur wij verder gaot, wil ik even pauseren (Dal), Het doert altied lang veur e wat zeg (Bov), Veur hie vortgung, heb ik hum nog een borrel geven (Gas), z. ook veurdat
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
voor , veur , vèur , voorzetsel , Ook vèur (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe) = 1. voor Hij stun al heil op tied veur de deure (Bov), Dat zal veur den dit en den dat niet gebeuren (tl), Dat is een boks veur nao het wark (Zwe), Toen ik veur het eerst limenaode kreeg, sprongen de traonen mai in de ogen (Pei) 2. tegen Dat spul is goed veur liefzeert (Bal), ...veur wörms (Anl) 3. als (Zuid-Drenthe, Kop van Drenthe) Wij hebt hum tien jaor had veur knecht (Oos), Wij hadden heur veur maagd (Zdw) 4. om Veur niks giet de zun op (Gro) 5. geleden Daor bin ik veur 14 dagen met begund en non he’k hum of (Sti), Ik heb je veur een dag nog zien een paar dagen geleden (Sle). Met werkwoorden vormt veur- scheidbare en onscheidbare samenstellingen, waarbij het accent kan verschillen.
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
voor , [ploegsnede] , voor , vore, vaorde, voorde, vurge , de , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook vore (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën), vaorde (Zuidwest-Drenthe, zuid), voorde (Zuidwest-Drenthe, zuid), vurge (Veenkoloniën) = geploegde voor Bij het ploegen hej een vaste voor, die nog ploegd worden möt en een lösse voor, die net ploegd is en lös lig. Dan hej ok nog een blinde voor. Dat is de voor, diej overslaot bij het erpelpoten (Sle), Aj noe an de lösse vore poten gaon, kriej de rijgies wat dichter op mekaar net omgelegd voor (Klv), Hij hef de voorden zo schieve as wat (Stu), Veurdaw begunt te ploegen, wordt de voren oetmeten (Eev), Met de pen in het halve gat kuj de diepte van de voor regeln (Scho), In de lösse voor zèeien zaaien in ongeëgd land (hy:Midden-Drenthe en Kop van Drenthe), As het zwartmaken gebeurd is, lig het land in de vore (Wap), Het is maolen gebeurd dat die rotzak een paar voren van oes land ofbouwde (Zwe) *Er gruit meer op een kromme voor as op een rechte (Zey)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
voor , vèur , voor.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
voor , veur , voor
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
voor , [ploegsnede] , vore , voor (ploegsnede)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
voor , veur , voor.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
voor , [ploegsnede] , vore , ploegvoor. ’n Rechte vore bouwm, dât kan niet iederiene.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
voor , veurnte , (in ’t veurnte), alvast vooruit. Hie wârk graeg in ’t veurnte.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
voor , véúr , voor , Wat'ter véúr af gi, köm’ter aachter nie bè. Wat er voor afgaat, komt er achter niet bij. Gezegd tegen mensen die te laat in de kerk waren.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
voor , veur , bijwoord , 1. voor, aan de voorzijde 2. in het voorhuis, i.t.t. het bedrijfsgedeelte (van een boerderij) 3. eerst in volgorde, bijv. veur en nao nu en dan 4. sneller, verder in tijd, bijv. De klokke is veur 5. eerder, verder gevorderd dan anderen 6. ten gunste van 7. in bijv. Daor kuj’ niet veur wezen zoiets kun je niet voorkomen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
voor , veur , onderschikkend voegwoord , voordat, bijv. Wat duurt et lange veur ze komt
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
voor , veur , voorzetsel, bijwoord , In de verb. d’r veur daor veur waor veur 1. voor, i.t.t. achter 2. in het zicht, in het vizier 3. te ontvangen, ontvangen worden op een radiotoestel, een televisie 4. om, vanwege iemand, iemands aanwezigheid 5. ten opzichte van, bijv. iene argens veur waorschouwen 6. eerder: in een bep. volgorde, vgl. Hi’j las et riegel veur riegel, iene die et niet veur mekeer holen kan die verstrooid, enigszins overspannen is 7. geleden, eerder dan 8. met de tijdsduur, bijv. We lienen et boek veur een peer weken 9. bedoeld voor, bestemd voor, bijv. Et mael bruukten ze veur bri’j 10. ten gunste van, bijv. veur iene stemmen, Die vrouw is veur iedere man papt in principe met elke man aan, is haast een hoer 11. om, omwille van, teneinde, bijv. We hadden him als knecht veur ’t peerdewark 12. met betrekking tot, bijv. Ik veur mi’j hole et beter Ik had liever… 13. als middel tegen, bijv. Ik hebbe veur de griep al hiel wat goed inneumen 14. In de plaats van, bijv. Zal ik even veur jow betaelen? 15. voor de prijs van, de waarde van 16. als, in het gebruik of de functie van, bijv. et veur waor annemen, je argens veur uutgeven beweren te zijn 17. in aanmerking genomen, bijv. Wat is ze kras veur heur leeftied
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
voor , veur , zelfstandig naamwoord , et; dat wat voor iets pleit
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
voor , [ploegsnede] , vore , zelfstandig naamwoord , de 1. voor (door een ploeg gemaakt) 2. diepte van een voor, bijv. Et waeter is wel een vore zakt
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
voor , vaor , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , vaore , vëurke , vore , Zw: Op krom vaore wase oüch krote: men behoeft niet altijd de puntjes op de i te zetten.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
voor , vuur , vëur , voorzetsel , voor , vuur VB: De lênne sjtoën vuur de kërk; vëur VB: veür ién de käomer VB: Wè sjtèit vëur? VB: (vergelijk): 'r Sjtèit veer plaotse vuur mich, 'r sjtèit veer peunte vëur. Zw: (lachend, terwijl men iemand laat voorgaan): A vous l'honneur, de véreke goën vëur. Zw: (oud raadsel) Vëur sjtiéf en sjtérk, ién 't midde e hôddelewérk en aachter 'n flôtsbrook: een man achter een ploeg.; eruit (nu lig je eruit) noé liks te vuur mich ién 't gräos; om om vuur VB: 'nne Potloed ês vuur te sjriéve.; tegen (vuur de grond) vuur de groond VB: Get vuur de groond goeje; volgens (volgens mij) vuur mich VB: Vuur mich hèt hër 't gedoën en gèinen aandere.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
voor , [ploegsnede] , voor , groef
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
voor , vur , veur , voor
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
voor , veur , voor
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
voor , veurste , voorste.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
voor , vur , voor (voorzetsel).
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
voor , veur , (voorzetsel, bijwoord, voegwoord) , voor. Die appel is veur oe. Ik ebbe mien tuintien veur. Veur ik komme, za-k bellen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
voor , veur , vur , 1. voor; 2. alvorens, voor , ’t Hi z’n veur én z’n teejge. Het heeft zijn voor en zijn tegen. Mi hum kande goewd vur d’n dag komme. Met hem kun je goed voor de dag komen., Veur én âchter. Voor en achter. Kék vur oew! Kijk voor je!, Vur én de reis te beginne, hás ze driej koffers vól mi klirre gepakt. Alvorens aan de reis te beginnen had zij drie koffers vol met kleren gepakt.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
voor , vörre , vurre , op vörre voete, op kousenvoeten.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
voor , vur , voor; vur deur, (ruimte) voor het huis. (ook in samenstellingen; zie ook voor- en veur-).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
voor , vuuer , voor , Hae wètj van vuuer neet det d’r van achter laeftj. Doot ’t mer vuuer de voot: doe het maar een voor een. Emes get recht vuuer ziene kop zègke. Kóm get nao vuuer. M’n kan emes waal vuuer de kop kieke, mer neet t’r in. Vuuer zoeawied es ich det zeen, haet d’r geliek. Waat se van vuuer höbs, höbs se neet van achter: gezegd als iemand koppig is. Zie haje al vreug einen auto, vuuer daen tied waas det get.: gezegd als iemand koppig is. Zie haje al vreug einen auto, vuuer daen tied waas det get.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
voor , [ploegsnede] , voear , (mannelijk) , voeare , vuuerke , ploegvoor
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
voor , väôr , väör , 1. voor 2. om: hae ging heives väör te aete – hij ging naar huis om te eten 3. voordat
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
voor , voeër , zelfstandig naamwoord , voeëre , vuërke , voor, vore, ploegsnede
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
voor , vuuër , bijwoord, voorzetsel , voor
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
voor , vör , voorzetsel , om, voor
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
voor , voeër , voeërt, voôr , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , voeëre/voeërte/voôre/voorte , vuuërke/vuuërtje/veurke/veurtje , voor/ploegsnede; voort (Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels) voor/ploegsnede
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
voor , veûr , voorzetsel , (Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels) voor
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
voor , vuuëre , bijwoord , voor/voren
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
voor , voor , om. Dordtenaren zeggen: Die pen is voor te schrijve. (Gallicisme) Het woordje ‘om’ wordt vaak gebruikt in plaats van ‘door’. Voorbeelden: da’s om z’n ziekte gekomme en hij wil d’r van profitere om hil de dag binne te blijve
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.
voor , vóór , ’t is vóór achter as brejer, bepaalde uitdrukking, die als reactie gebruikt wordt als iemand een totaal inhoudsloze of quasi-grappige opmerking maakt
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.
voor , veur , vur , voorzetsel, bijwoord , Gaode gij veur òf moet ik vurgaon? - Ga jij voor of moet ik voorgaan?; Dirk Boutkan (1996) - (blz. 4l) 'veur/ vur' als ww-deel; Cees Robben - Herodus die kwam zellevers veur. Herodus deed zelf de deur open. Prent over driekoningenzingen. De tekst is ontleend aan een in die tijd bekend driekoningenliedje. (19540109); WBD veurknie - voorknie van een paard, ook 'knie' genoemd; J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - VEUR i.p.v. voor, in de bet. v. ante, ook in de zamenstelling (b.v. veurhoofd). Dat het zeer goed is, kan men bij Kiliaan zien. Z.a. Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VEUR vz/bw - voor; vur; voor; Waorveur moete vurkoome?; WBD et kalf zit meej de kòp nao vurre - zit goed (vóór de geboorte); Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - vur de deur; DANB dan spanneme et pèèrd vur de nuuw kèèr; DANB ene kaawe kèlder is goed vurt bier; Henk van Rijen - dees vur vurt fist èn dès vur nòt fist - dit is voor vóór het feest en…; Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - vur - vz - tegen, als, voor
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
voor , [ploegsnede] , voor , zelfstandig naamwoord , vorke , Henk van Rijen - der is gin rèèchte voor meej te ploege - er valt niets mee te beginnen; WBD III.1.1. lemma  aarsspleet – voor, Tilburg; Dirk Boutkan (1996) - (blz. 23) 'vu:r' = vôor (vore); vorke - verkleinwoord WBD ondiepe voor (bij het ploegen). Ondiep ploegen = 'schèlle'; - dim. van 'voor', met vocaalkrimping
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
voor , veur , voor (bijwoord)
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.
voor , vur , voor (voorzetsel)
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal