elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: washuis

washuis , washuis , zelfstandig naamwoord ’t , Wasbetrekking (verouderd).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
washuis , wâshoês , ápárte ruúmte án hoês woa de wes woort gedoan.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
washuis , washèùs , zelfstandig naamwoord , WBD bijkeuken (op de boerderij), ook 'moos', 'goot' of 'aachterhèus' genoemd; Henk van Rijen - 'waashöös'; Frans Verbunt (1996) - 'waashèus' huis waarvoor een vrouw de was doet; deel van een huis waarin de was gedaan wordt
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal