elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: zwans

zwans , swans , voor: penis. Eigenlijk ’t Hoogduitsch Schwanz; Kil. swants (Germ. Sax. Sicamb.) = staart, en: penis.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
zwans , swâns , zwans , m , penis; Janlul, scheldwoord.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
zwans , sjwans , mannelijk , sjwens , sjwenske , staart; lummel.; sjwéns slaag
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
zwans , zwâns , stárt; mispeunt, ásteller, ópschöpper.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
zwans , zwans , zelfstandig naamwoord , mannelijk geslachtsdeel. Hij is de zwans betekent dus hetzelfde als hij is de lul.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
zwans , zwaens , rammel, preugel.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
zwans , swans , swanse, zwans , de , swansen , Ook swanse (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents veengebied), zwans = 1. vreemd persoon, nietsnut Wat is dat een rare swans (Sle), z. ook lapswans 2. penis Hij leup met zien swans uut de broek (Klv), De zwans zat hum in de weg (Gro)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
zwans , zwans , zelfstandig naamwoord , de; penis van een hengst
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
zwans , zjwans , zelfstandig naamwoord mannelijk , zjwanze , - , paardenstaart , VB: 't Përd heef mêt z'nne zjwans de vlege van zich aof.; zjwens kriége slaag (een pak slaag krijgen) zjwens kriége)
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
zwans , [pak slaag] , zwens , (mannelijk) , een pak slaag , Hae kreeg flink zwens vanne Belzje kemieze.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
zwans , zwans , (mannelijk) , 1. lulhannes 2. mannelijk geslachtsdeel
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
zwans , zwans , zelfstandig naamwoord , zwens , zwenske , staart; vervelende kerel; piemel (Duits: Schwanz) zie ook frenske, lank vötje, pisserke, snuurke, stuupke; zwens slaag: zwens uëver die pens – een pak rammel ook kladze, preugel, slaeg; zwenske
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
zwans , zwens , slaag: zwens uëver die pens – een pak rammel ook kladze, preugel, slaeg
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
zwans , zwâns , zelfstandig naamwoord, mannelijk , zwânse , kerel, rare, penis van een paard, prutser
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
zwans , zwêns , zelfstandig naamwoord, mannelijk , aframmeling, slaag
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
zwans , zwans , zelfstandig naamwoord , Frans Verbunt (1996) - penis; WBD III. 1. 4:241 'zwanzen' = spotten; Jan Naaijkens - Dè's Biks (1992) -  zwans zn - mannelijk geslachtsdeel; WNT ZWANS - 1) staart (v. e. dier) ; 2) mannelijk lid (nog bewaard in volkstaal 3) als scheldwoord
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
zwans , zwens , aframmeling
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal