elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: akkermaalshout

akkermaalshout , [kreupelhout] , akkermoals-holt , tienjarig gewas van eiken kreupelhout om te branden. Scher. mal, grens, rand. Hout op de randen der akkers.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
akkermaalshout , akkermaals hout , Eiken hakhout. Waarschijnlijk voert het dezen naam omdat het doorgaans rondsom de bouwkampen gepoot wordt, wanneer men het een akkermaals hegge noemt. Een akkermaals bosch is een stuk land, welk ’er geheel mede beslagen is. [Men zegt ook akkerhout en akkermaal, voor akkermaalshout.]
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
akkermaalshout , akkermaolsholt , akkermaalsholt , (Zuidoost-Drents zandgebied). Ook akkermaalsholt (Zuid-Drenthe) = akkermaalshout, hout op de wallen rond de akkers en de weilanden, z. ook akkerholt
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal