elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: alruin

alruin , aalruune , Welke de gedaante zij van dit, nergens dan in de hersens van het godloze bijgeloof bestaande schepsel heb ik nooit gehoord, zijne geboorte wordt dus beschreven: Als een misdadiger gehangen, zijne blaas geborsten, zijn water op de aarde gelopen en in den grond getrokken is, laat men eenen hond onder de galg krabben. Die doet dat met een sterk gehuil (zo men dat hoort moet men aanstonds sterven) en daar komt een zeker schepsel voor den dag, dat kleedt men en bewaart het in zijn huis. Van die aalruune kan men telkens zooveel geld krijgen als men hebben wil. Daarom zegt men van iemand welke veel geld wint zonder dat anderen weten waarmede hij dat wint: hij heeft ene aalruune in huis. De oorsprong van dezen naam is mij onbekend. Mogelik komt hij van aale (pisse) en van runnen (loopen, lekken, stollen), want dat schepsel wordt, gelijk men beuzelt, uit uitgelekte en gestolde pis geboren. Mogelik geeft men het de gedaante van eenen ruin, welke uit aale voortgekomen is; run-stafas waren bij de A.S. tover-tekenen, run-craeftige man: tovenaars; voor vele ewen noemde men tooveressen in ’t Latijn van dien tijd alirumnas. Filcmer reperit ibi quasdam magas, quas Alirumnas dicunt, c. Martene Vet. Scr. et Mon. Tom. IV p. 916 B.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal