elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: balg

balg , balg , Inzonderheid de buik of buikdeelen van een beest, b.v. de koe of ’t varken krig al ’en oardigen balg; dikke buik of hangbast als teeken van vetwording. De gemeene man zegt het evenwel ook wel van het menschelijke onderlijf: pine in den balg. Dit balg, met den wortel van het werkwoord blazen vereenigd, geeft blaasbalg, en men noemt voorts den persoon, die den blaasbalg of windleider van ’t kerkorgel met zijn voeten in beweging brengt, een balkentreder, dien men ook poestentreder noemt.
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
balg , [lichaam, huid] , balg , voor: lijf, huid, lichaam; “ik van nijs hom de honden weer op de balg stöt” = hem op nieuw hem de honden weer op het lijf jaagde. Eigenl. balg = buik; vergelijk: blaasbalg en ’t Gron. zwambalg = zwemblaas.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
balg , balg , (mannelijk) , belge , maag, buik.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
balg , balg , mannelijk , buik, speciaal van dieren. Hei hef gein bůk of balg: hij is mager.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
balg , balg , Volg lijf of buik, vooral aan een dier, bij de boeren in gebruik. Van hier:
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
balg , balg , zelfstandig naamwoord , bàlge , bàlgjen , 1 buik, 2 robbedoes
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
balg , balg , pens, buik.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
balg , balg , pens, buik.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
balg , balg , de , balgen , 1. buik, maag van mens (ruwe uitdr.) en dier (Zuid-Drenthe, Veenkoloniën) Die koe, die is dikke in de balg. Der kunden wel ies twee kalver in zitten (Zdw) 2. lichaam (Zuid-Drenthe, Ros) De hele balg döt mij zeer (Mep) 3. blaasbalg De smid trök wat harder an de balg (Wes)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
balg , balg , 1. buik; 2. lijf, lichaam
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
balg , balg , romp, buik. De koene stonn tut an de balg in ’t water.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
balg , balge , balg , zelfstandig naamwoord , de 1. blaasbalg van een smid 2. balg van een harmonica
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
balg , beerlig , beerlag, beurlig, balg , zelfstandig naamwoord , de; (vaak ruw) lijf, lichaam
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
balg , balg , (zelfstandig naamwoord) , 1. buik. Zie ook: boek; 2. lijf, lichaam.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
balg , balg , 1. buik; 2. dikke buik; 3. lichaam.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal