elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: behoed

behoed , behut , (Oldampt) = onbeholpen, onhandig, onredzaam. Ook: verheerd, verhilderd; zie aldaar.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
behoed , behot , behodt , bijwoord , Geheim, bedekt. Spreekwijs: hij is zeer behot met zijn zaaken. Ik denk dat het een verbastering is van behoed, behoedzaam.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal