elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: besmullen

besmullen , [zich bemorsen] , besmullen (zich) , (wederkerig werkwoord) , zich bemorsen of besmeren. Hij heeft zich leelijk besmuld, ze smullen op dien smerigen kleiweg, ze hebben van den regen gesmuld. Vandaar smullen, voor lekker eten.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
besmullen , besmullen , Ook wel bij verkorting smullen, bemorssen.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
besmullen , besmulle , werkwoord , in de zegswijze z’n oigen besmulle, zich besmeuren of vuilmaken (verouderd).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal