elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: blakerig

blakerig , bleukerig , naar den rook smakende, aangebrand. pl. d. Blakerig.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
blakerig , [naar rook ruikend] , bläokerig , blökerig , (bijvoeglijk naamwoord) , naar den rook ruikend of smakend.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
blakerig , bläokerig , blökerig , (bijvoeglijk naamwoord) , naar den rook ruikend of smakend, rookerig.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
blakerig , bleukerig , bijvoeglijk naamwoord , Spijs, die naar den rook smaakt, smaakt bleukerig; blaeken, flammare, bij ons bleuken.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal