elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ploot

ploot , bleut , bloot , schapenhuid. Gron. bleuten = de schapenhuid van de wol ontdoen. v. Dale: blooten = vellen scheren, ontharen. Overijs. bleute = tot looien bestemde dierenhuid.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
ploot , bloote , zie: bleuten 1.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
ploot , bloot , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , zie hazebloot en vgl. ploot.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
ploot , ploot , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Schapevacht, waarvan de wol is afgeschoren. || Wat heb dat skeep (schaap) ’en fijne ploot (wat men zien kan na het scheren). Stuur die ploten na de leerlooier. – Het woord is ook elders bekend; plote komt reeds in het Mnl. voor. Vgl. Ned. ploten, schapevellen scheren, en plootwol; zie de wdbb. – Vgl. ook hazebloot.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
ploot , bluete , Is een schaaps-vel daar de wol afgeschoren is.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
ploot , bleut , bloot , bleuten , Ook bloot (wm in bet. 1.) = 1. schapenvel (Zuidwest-Drenthe, Veenkoloniën) 2. huid (Noord-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) Hij wil hom an de bleut een pak slaag geven (Row) 3. omslag van een boek (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) Je moet een kraante um dat book doon, aans wordt dat bleut zo smèrig (Hijk) 4. blad papier (Midden-Drenthe) Doe mij even een bleut, mienend is vol (Eex)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ploot , bleute , bleut , zelfstandig naamwoord , de 1. vacht, vooral: afgestroopte huid van een dier, met name van een schaap (meestal: waar de wol af is) 2. kluitjes stuifmeel en honing, door bijen aan de achterpoten verzameld
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal