elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bluisterig

bluisterig , bluistrig , los en windig [van het weder gezegd], veel pohei makende [van driftige menschen gezegd]. Kil. bluyster, pustula. Isl. blâstr, flatus.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
bluisterig , bluisterig , winderig, van bluisteren, hard waaijen.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
bluisterig , [opgezet, opgeblazen] , blasterg , opgezet, opgeblazen, van het aangezicht, Gron. blaisterg, bluisterg, ook dienerg om kop. Neders. de bakken bleustert = de wangen zijn rood, gloeien. Eng. to blush = blozen. (v. Dale: bulsterig (gewest.) = gezwollen, van het aangezicht.)
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
bluisterig , [winderig] , plü̂̂sterig , blüjsterig , (bijvoeglijk naamwoord) , bluisterig, ruw (van het weer gezegd).
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
bluisterig , bluisterig weder , Onstuimig weder. Kiliaan heeft bluisteren, maar in een andere beteekenis. – To bluster, Eng.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
bluisterig , blùejstereg , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , winderig
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
bluisterig , bluisterg , rood opgezet, driftig, warm
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
bluisterig , bluisterig , 1. opgezet (gezicht); 2. winderig.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
bluisterig , blosterig , bijvoeglijk naamwoord , (Zuidwest-Drenthe, zuid) = met dun vel
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bluisterig , bluisterig , bluusterig, bluuster, bluistig , Ook bluusterig of bluuster (Zuidoost-Drents veengebied), bluistig (Midden-Drenthe) = 1. winderig, meestal met stoten (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe), In de harfst hej smangs van dat bluisterige weer (Pdh), Het is een bluisterige, holle wind. Der komp vast aander wèer (Bei), Het is bluuster weer (Nsch) 2. gezegd van lucht, als er onweer dreigt (Midden-Drenthe), zie ook bluierig 3. zwetsend (Zuidoost-Drents zandgebied) Het is een bluisterig kèreltien (Sle) 4. opgeblazen (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) Ik ete gien kool weer, daor word ik zo bluisterig van in de hoed (Noo), Het kind hef een bluisterig gezicht van de koorts (Bor)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bluisterig , bluisterig , opgezet in het gezicht
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
bluisterig , bluistereg , roodachtig (van koorts). Zie hef zo’n bluistereg kleurtien, ’t liek mien ’n teringachteg deerntien.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
bluisterig , blosterig , blusterig, bluusterig, blösterig, bluisterig, blos , bijvoeglijk naamwoord , 1. met een vol, dik, opgeblazen gevoel, met last van winderigheid 2. opschepperig, vaak zwetsend 3. vreemd, eigenaardig 4. enigszins gezwollen, opgezet in het gezicht 5. met een blozende, gezonde gelaatskleur
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bluisterig , buusterig , stormachtig.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal