elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bot

bot , botten , beenderen. Ossn. Spreek de o uit als in bot, visch.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
bot , bot , voor oogenblik, op eenen bot, op éénen oogenblik.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
bot , botten , voor laarzen.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
bot , bot , (spreek o uit als in krom) been, meervoud de butte.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
bot , bot , (bijvoeglijk naamwoord) , lomp, ongemanierd. Iemand bot tegen het lijf aanloopen, hij kon het al niet botter doen, nog altijd even bot.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
bot , bot , (onzijdig) , botten , de scheut of ruimte van een touw. Er is ruim bot, hij heeft te veel bot gevierd, te veel toegegeven, hij heeft zijn kinderen te veel bot gegeven. Men vergelijke de spreekwijze: aan het lange touw loopen.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
bot , bōt , (been, bonk), in de Zegsw.: iemand op de botten stooten = hem om betaling aanmanen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
bot , [bijwoord] , bōt , als bijw. = nabij, na; bot an huus = dicht bij huis, Gron. bōt bie hoes = stoef an hoes, stief an hoes, stomp an hoes = onmiddelijk aan eigen woning. Eigenlijk een bijwoord van versterking = zeer, grootelijks, in hooge mate, ten zeerste, en daarvan het Gron: bōt mooi, bōt kold, bōt groot, enz. bōt regen (regenen). verlangen, enz.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
bot , bot , (onzijdig) , bütte , beenderen; de bütte, het lichaam.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
bot , bōt , (bijwoord) = zeer, ten zeerste, op ’t zeerst, erg, hevig, enz., in: bōt kold, bōt mooi, bōt groot, bōt verkleumd, enz.; bōt verlangen, bōt lijgen, bōt regen (regenen), bōt muien (spijten), enz.; bōt bie hoes (= drong an hoes, stoef an hoes, stief an hoes, stōmp an hoes) = dicht bij, zoo nabij mogelijk ons huis. – Als bijvoeglijk naamwoord; ’n bōtten regen, ’n bōtten kolle (koude), ’n bōtten geld, ’n bōtten muite (moeite), ’n bōtten pelzijr, enz. Weinig gepast zijn voorzeker koppelingen als: glen bōt kold (gloeiend erg koud); stōm bōt mooi, stōm bōt lui, enz. (= aldernoarste mooi) = verbazend mooi; biester bōt onneuzel, enz. = zeer onnoozel, enz.; vreesêlk bōt best, enz. Drentsch bōt an = dicht bij; Friesch bot = erg, hard, krachtig; Zuid-Nederlandsch bot = uitermate, geweldig; bot veel menschen, bot duur, enz. West-Vlaamsch: uit der mate, geweldig: dat kost bot veel geld. (De Bo). Vgl. stōm.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bot , bod , (Oldampt) = draeklien (Ommelanden) = het touw van een vlieger, (droak, droake); bod geven, eig. het touw vieren; iemand bod geven, fig. (= roemte geven) = meer vrijheid van handelen toestaan, bv. bij het bieden niet tot eene vaste som beperken; ook Holsteinsch; de diek het nog twei meter bod = het water staat nog twee meter van de kruin; ik heb niks gijn bod meer = ik kan niet opschikken of uitwijken; iederbod (Oldampt, Westerwolde) = telkenmale, iedere keer, (Oostfriesch elk bot); daar ook: bod op bod, waarvoor op ’t Hoogeland slag op slag. Middel-Nederlandsch bot, ook Middel-Hoogduitsch = eene partij van een of ander spel; eig. de mededeeling van den inzet of inleg. (Verdam art. bot I, b). – Van Dale: bot (gewestelijk) het touw van den vlieger; Marken bot, Oostfriesch bott, drakebott. Hooft bot = viering, vrije loop, ruimte.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bot , bot , botten , bütjen , Verklw. zoowel van ’t woord in de bet. van: been, als van: visch en stoot. Ik kan u n(i)eet dragen; ik heb ’n bot in ’t b(i)een, zegt men tot een kind dat dwingt om gedragen te worden. Bütjen in de bet. van stoot is een woord uit de taal der jongens. , geef mîn is ’n bütjen! wil zeggen: leg je knikker of knoop eens zóó, dat ik door met den mijnen tegen den muur te botten (zie op dat woord) den uwen òf raak, òf er zoo dicht bij kom, datik den afstand tusschen beide kan spannen (zie op dat woord). Wvl. But = stoot van een marbel of bonket tegen een andere marbel of bonket.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
bot , bot , (bòt) , (bijwoord) , Vlak, juist, enz. Het woord wordt steeds met nadruk uitgesproken. || De bal vloog bot tegen me gezicht. Je slane (slaat) bot op me handen. We ben bot bij huis. ’t Is bot ’ezelfde. Hij is schrikkelijk lelijk, ’t is bot ’en aap. Ik ben er niet om verlegen, maar bot an toe (ik heb er dringend behoefte aan). – Het woord is in soortgelijke opvattingen ook in andere streken gebruikelijk; zie de wdbb. – Zegsw. Dat is te bot, dat is te erg (de Wormer). || Ik moet er twee stuiver meer voor ’et pond geven, dat is te bot. Och, dat is toch te bot voor dat arme mens, dat ze guster ’en rijksdaalder ’estrooid (verloren) heb. “Gooi ’et (overgeschoten) eten maar in de vullisbak.” “Nou dat is toch te bot.” – Evenzo Fri. dat is to bot (HALBERTSMA 466).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
bot , bot , (bòt) , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , De vis. Zie de wdbb. – Zegsw. Die zaak is een gebakken botje, die zaak is (tussen hen) in orde, dat is geregeld, afgesproken, klaar. – Met je zieke lijf an de bot, ’t is zo lekker als bot voor iemand, die ziek is. Als iets bijzonder goed smaakt zegt men b.v.: Dat is ’en kossie (kostje)! met je zieke lijf an de bot. – Een botje vangen, iemand niet thuis treffen. || Ik miende nog bij peet Marij an te gaan, maar ik heb ’en botje ’evongen. – Volgens VAN DALE is bot vangen slaag krijgen, teleurgesteld worden. Vgl. een puisje vangen op puisje.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
bot , bot , (bòt) , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Het touw, waaraan een vlieger opgelaten wordt. || Het bot van je vlieger is te kort. Er is ruim bot (touw rijkelijk). Je moete wat bot geven (vieren laten). – Overdr.: Hij heb zijn kinderen te veel bot gegeven (te zwak geregeerd). – Zegsw. Ik ben t’ende bot, ik weet geen raad meer, eigenlijk ik ben aan het einde van het bot, ik kan niet meer laten vieren. Bot vliegertouw, is ook elders in Holl. en in Oost-Friesl. gebruikelijk.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
bot , bod* , hiervan ’t Nederlandsche “bot vieren”, zie bot (5) bij v. Dale: vergelijk ook iederbod * (bl. 176 en 529.)
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
bot , bot , (onzijdig) , botten , bütjen , Verkl.w zoowel van het woord in de bet. van: been, als van: visch en stoot. Ik kan u n(i)eet dragen; ik heb ’n bot in ’t b(i)een, zegt men tot een kind, dat dwingt om gedragen te worden. Bütjen in de bet. van stoot is een woord uit de taal der jongens. , geef mîn is ’n bütjen! wil zeggen: leg je knikker of knoop eens zóó, dat ik door met den mijnen tegen den muur te botten (zie op dat woord) den uwen òf raak, òf er zoo dicht bij kom, dat ik den afstand tusschen beide kan spannen (zie op dat woord). Wvl. But = stoot van een marbel of bonket tegen een anderen marbel of bonket.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
bot , bot , [bot] , onzijdig , butte , buttien , Hei hef et in de butte: hij heeft rheumathiek. Dät koomp ů niet än de butte; Dät geit em důür ’n hat bot: dat valt hem zwaar.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
bot , bot , Been (os), plur. botten. Wij gebruiken been niet dan voor crus. Kiliaan heeft ook bot (os). [Bot-bijle, daar men botten mede hakt, ook van iemand die veel werk doet; zich afbottelen, afarbeiden.]
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
bot , [knul] , bot , een bot zonder gal, een knul, onbeduidende vent. Zie Wdb. d. Ned. Taal III, 678 (Bot IV).
Bron: Beets, A. (1954), ‘Leidse woorden en uitdrukkingen’, in: Bicker Caarten, A. (red.), Leids Volksleven, Leiden: Sijthoff
bot , bot , zelfstandig naamwoord, onzijdig , butte , butjen , bot. De butte, ’t menselijk lichaam, als arbeidswerktuig; ‘k hebbe dr de bot nog neet noar stoan, ik heb er nog geen zin aan; de bot in berre en t vlaejs op n stool, die is vel over been; de butte oarns met ploang, een voor ’t
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
bot , bot , o , böt, but , butje , bot, mv = botten, beenderen.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
bot , bot , erg
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
bot , bot , vliegertouw
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
bot , bot , bijvoeglijk naamwoord en bijwoord , Ook: 1. Vlak bij, op of aan. | Hai weunt bot an de weg. 2. Onmiddellijk, dringend. | Hai zee d’r bot boven op, dat ’t ’m niks skêle kon. Ik ben er bot om verlegen. 3. erg, zielig, sneu, spijtig. | Dat is toch te bot. Ik vind ’t zô maar te bot om die stoele weg te doen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
bot , bót , ni schaerp; óp dát maes kunde goan zitte en nár Kölle vare.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
bot , bots , onvriendelijk.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
bot , bot , onvriendelijk, cru.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
bot , bot , in Hie hef bot vangen niets bereikt (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bot , bot , de , botten , bot, soort platvis
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bot , bot , het , 1. ruimte (Zuidwest-Drenthe, Kop van Drenthe) Het is wel makkelijk, aj wat bot hebt, aj de auto argens hen zetten moet (Wsv) 2. uiteinde van touw (Zuidwest-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) Hij moet de vleiger wat meer bot geven touw vrijgeven, laten vieren (Row), As ze vliegert zegt ze: Laot hum maar bot vieren (Hol), IJ moet hum nog even wat bot geven tijd, speling (Odo)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bot , bot , bots , In bet. 3. ook bots (in en rond Bei) = 1. bot Wij zegt hier vaker het mes is stomp as het mes is bot (Koe) 2. kortaf, stug, ook wel lomp Die man was altied zo bot tegen iederiene (Schn), Hij kwam der aordig bot met veur de dag (Ndo) 3. blut, vooral gezegd bij het knikkeren (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, noord, Midden-Drenthe) Bi’j weer bot? Hej alle kuien weer verspeuld? (Noo) 4. (bw.) vlak, onmiddellijk (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Ros) Zij woont bot an het vonder (Hgv), Zie woont bot op mekaar (Sle), Pas op daj der niet zo bot bij koomt (Zdw), Hie gung der bot op aan recht op aan (Ros)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bot , bot , botte , botten , Ook botte (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, veengebieden Oost-Drenthe) = bot De hond löp mit een botte in de bek (Klv), Ik heb mij flink esnene; het bot is eraakt (Ruw), Hij is zo mager, ie kunt mit de botten wal twaalf uur luden (Bov), Het is een boezeroen mit botten van een mager persoon (Mep), Hij is zo kold as een bot (Die), Wij wilt bottie bij bottie leggen allemaal wat inbrengen (Bor), Hie mus ofstaand doon van het kind en dat gung hum deur een haard bot deed pijn (Gas), Ik heb het geweldig in de botten (Eex), Daor zei ik gien botten in zie geen problemen (Ros), Hie wil niet geern de botten plaogen is lui (Sle), Het komp joe wal an de botten het is zwaar werk (Bov), Iem. op de botten stoten aanmanen om te betalen (wp), IJ moet hum flink op de botten zitten, dan kriej je geld wal (Sle), Het mes is zo stomp as een bot (Eel)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bot , bot , niet scherp; ’n botte hiép.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
bot , bot , been. verkl. bùtje.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
bot , bot , zelfstandig naamwoord , bot, been. Zet de botten der maar op ‘doe je best maar’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
bot , bot , bijvoeglijk naamwoord , stomp
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
bot , bod , keer. Ieder bod löp mien de kettn van de fietse. Ieder bod kump hie bie mie um wat te leenn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
bot , bod , tussenruimte. Daor is niet veule bod tussn de kaste en de schoorstien.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
bot , bottn , beenderen. De bottn doet mien aoveral zeer, de biene, de arms, alles dut mien zeer.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
bot , bót , onscherp , És ge in iin of ander eetgeleegenhéij zé, dan zén de mèsse daor aalté bót. Als je in een of ander restaurant bent, dan zijn de messen daar nooit scherp.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
bot , bot , zelfstandig naamwoord , et; bot, been, knook
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bot , bot , zelfstandig naamwoord , de; bekende vis: bot
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bot , bot , botte , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. (bw.: vooral bij werkwoorden) zeer, in aanzienlijke mate, bijv. Et komt bot an! soms ook bij bn. (dan wordt botte vaker gebruikt): Die vrouw was niet bot(te) aorig 2. lomp, kortaf, nors 3. in een botte kerel: een gehaaide, berekenende man; botte bijwoord van graad (vaak in ontkenningen) in aanzienlijke mate, bijv. Dat mes is niet botte scharp is niet bep. scherp
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bot , bot , zelfstandig naamwoord , botte , botjie , gebrek aan lengte of ruimte Ik komper niet, ’k heb te waaineg bot Ik kom er niet, ik heb te weinig lengte; dun (vlieger)touw Een kloeñtjie vliegerbot koste toentertijd vijf cente Een kluwentje dun vliegertouw kostte in die tijd vijf centen
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
bot , bôt , bôtte , butjes , bot, been
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
bot , bot , (zelfstandig naamwoord) , buttien , bot. Buttien (scheldnaam) ‘sukkel’; Uitdr.: Buttien bi’j buttien leggen ‘gezamenlijk de kosten dragen’.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
bot , bot geve , vieren van een touw , bij ’t vlieger op laote motte bot geve aanders gaotie nie omwôôg = bij het vliegeren moet je het touw vieren anders gaat de vlieger niet de lucht in-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
bot , bot , (zelfstandig naamwoord) , 1. bot, been (zie ook botten); 2. bot (vis); bot in de schottel, ongedacht voordeel, fortuin (W.-Veluwe); botboer, botjager, visventer; botkar, kar van de visventer.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
bot , bot , zelfstandig naamwoord , WBD III.1.5:228 'bot' - laars
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
bot , bót , bótter – bóts , bot (niet scherp)
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal