elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: brugge

brugge , brugge , (vrouwelijk) , brug. Boterham. Dim. bruggesken.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
brugge , brugge , Boterham, ook Overijselsch, Drentsch brugge en ook brukkien, hetwelk doet onderstellen dat het woord wellicht van breken is, waarvan ook brok; als wanneer het oorspronkelijk zou betekenen een stuk (te Breda is stuk voor boterham nog in gebruik; zie Hoeufft op stuk; vglk. deze plaats uit Hondius’ Moufe-schans, blz. 274: ‘En noch selfs elck oogenblick / Bidden om haer daeghlickx stick.’) of brok broods, dat men later meer fatsoeneerde, tot sneedjes of plakjes sneed, smakelijkheidshalve met boter ging besmeren en waaraan de weelde eindelijk nog kaas enz. heeft toegevoegd. Deze gissing krijgt nog meer waarschijnlijkheid, als men bedenkt, dat in de Middeneeuwen het brood niet werd gesneden, maar aan tafel gebroken (vergelijk het opstel in den Gelderschen Volks-Almanak voor 1852, blz. 205: ‘wat onze voorouders aten en dronken, van Karel den Groote tot op het einde der kruistogten.’), gelijk men ook nog zegt het brood of zijn brood breken, (conform Statenbijbel, Handel. XX: vs. 7.) Cats (editie Feith) III: 29. ‘God wort (en wel te recht) met bidden aengesproken / Eer dat’ er eenigh broot aen tafel wort gebroken.’ en wie kent niet Tollens’ (naar Bürger): ‘Vrouw Magdalis brak nu haar laatste stuk brood, / En kon het van kommer niet eten.’ hetwelk mij in het geheugen ligt. Ik zie dat ten Kate, Aenl. deel II, blz. 136 ook deze afleiding voorstaat (zie echter Dr te Winkel, N. N. T. M. III. 283; zie ook l. c. blz. 279).
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
brugge , brugge , boterham.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
brugge , [boterham] , brugge , brukkien, brökkien, brukkies , boterham, ook Overijs. – Gron. brōgge, brugge, in ’t Westerkw: eet bruggen met ons. zooveel als: ontbijt met ons. Geld. brug, Oostfr. brügge, Vlaamsch brugge. – in de bruggen zijn zeide men (tot 1857) van die onderwijzers in Drentsche gehuchten die voor luttel guldens de jeugd onderwezen en zonder eigen woning, nu bij den enen, dan bij den anderen boer in den kost waren; de bruggen terecht hebben = door lang en vlijtig werken zich een toereikend bestaan verschaft hebben. brukkies = meerv. van: brugge, en: brukkien
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
brugge , [boterham] , brügge , brugsken , (vrouwelijk) , boterham; weitenbrügge.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
brugge , brōgge , brugge, brug , brugge (Oldampt, Westerwolde) = brug (Ommelanden) = botram = boterham; Swaagm. brugge, dikke boterham. Samenstellingen: keezenbrōgge = snede roggebrood met boter en reven kees (geraspte kaas); twijbaksbrōgge, en: stoetbrōgge, of: bakkenbrug, en: stoetbrug = brood met beschuit of wittebrood in plaats van kaas; melkoavensbrug = melkoavendsbrōgge, de boterham die kinderen, ook wel meiden om melkenstied (plusminus 4 uur) krijgen. Van schoolkinderen, die des middags niet naar huis kunnen gaan eten, zegt men dat zij heur bruggen mitnemen, en hun bruggen hebben, bv. bij een smid, zooveel als: dat zij die daar opeten. Drentsch, Overijselsch brugge, en: brukkien; Geldersch brug, brugge, Oostfriesch brügge, botram = boterham van roggebrood. brōgge, enz. zal hier staan voor: brok, stuk. (In Drente en Noord-Brabant ook: stuk; dikwijls hoort men ook hier: wie willen ’n stōktje (of: stukje) eten, mits buiten den gewonen etenstijd. Bij ten Doornkaat (art. brügge) komt het volgende Spreekwoord voor: ’t Is jo ’n mal land, dat Friesland! dâr ätensê de brüggen, lopen sê op mülen un stäken se de schâpen in de taske); verkleinwoord brōkje, brōktje, brukje, zooveel als botramke = boterhammetje; brug (= boterham), in: “eet bruggen met ons; neem ’t beeten met ons; toe neem ook ’n stuk eten” (Westerkwartier) = ontbijt met ons.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
brugge , bruggĕ , brukkien , gesmeerde snee stoete.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
brugge , brugge , vrouwelijk , bruggen , bruggien, mv. bruggies , boterham
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
brugge , brugge , Voor boterham, zo als Kiliaan ’t ook heeft, wordt onder ’t gemeen veel onder de boeren hieromstreeks altoos gebruikt.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
brugge , brugge , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , brug’ng , brug’sken , boterham
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
brugge , brug , brugge, brog, brokkie , snee roggebrood
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
brugge , bruggen , boterham.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
brugge , brugge , brogge, brug , bruggen , (Zuidoost-Drenthe, Veenkoloniën, Midden-Drenthe). Ook brogge (Zuidwest-Drenthe), brug (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe met rekking). Bij verkl. -kk- (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe) = boterham Mamma, ma’k een brokkie, ik heb zo’n honger (Dwi), Een dubbele brogge was twei vingers dikke (Smi), Een opgemaokte brug snee roggebrood op een snee stoet (hy), In de bruggen in de kost (wb), De bruggen terecht hebben een goed bestaan hebben (wb), Zeuven uur is het brukkies eten tijd voor de broodmaaltijd (Bei), Hie haar de bruggen toe kreeg wel brood, maar geen warm eten (Bal)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
brugge , brogge , zelfstandig naamwoord , de; 1. (vaak verkl.: broggien) boterham, vaak: sneetje roggebrood 2. kost, levensonderhoud
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
brugge , brug , brogge, brukkien, brukjen, brökkien , snee brood.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal