elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: buikziek

buikziek , boekzijk , (buikziek) = aangestoken, half verrot, beursch, van appelen en peren gezegd. Overijselsch, Geldersch boekziek; bij v. Dale: buikziek (gewestelijk), beursch. Kil. buyck-siekte oft buycsuchtige peyre, pirum fracidum. West-Vlaamsch buukzuchtig. Wordt gezegd van overrijpe peren die van binnen week zijn. (De Bo).
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
buikziek , bukzeek , bukzieek , bwn. Beursch (van peren). W. Vl. buikzuchtte – buikziek, beursch (de Bo). Oost-Fr. bûk-sèk. Nur von Obst gebraucht.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
buikziek , [beurs, verrot] , bukzeek , bukzieek , (bijvoeglijk naamwoord) , Beursch (van peren). W.Vl. buikzuchtte – buikziek, beursch (de Bo). Oost-Fr. bûk-sêk. Nur von Obst gebraucht.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
buikziek , boukzeik , bůkzeik , aangestoken appel, buikziek, beurs
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
buikziek , buikziek , [boekziek] , Beurzig; van vrugten sprekende.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
buikziek , buukziêk , o , binnenrot, beurs, overrijp.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
buikziek , boekziek , bijvoeglijk naamwoord , buikziek, gezegd van een paard (Eex), of van een peer (Zuidoost-Drents veengebied) Die peer is boekziek, gooi die mor weg (Ndo)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
buikziek , boekziek , 1. beurs (van een appel of peer); 2. Gunninks woordenlijst van 1908: zwanger
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
buikziek , boekziek , zelfstandig naamwoord , het boekziek zijn, zie boekziek
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
buikziek , boekziek , boekziekerig , bijvoeglijk naamwoord , beurs, buikziek (zowel aan de ronde buitenkant als bij het klokhuis), bijv. Die appels en jutteperen weren allemaol boekziek
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
buikziek , boekziek , (bijvoeglijk naamwoord) , buikziek, van binnen half verrot, beurs (van een vrucht).
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
buikziek , bökziek , buukziek , bijvoeglijk naamwoord , beurs, overrijp (West-Brabant); buukziek; overrijp (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal